E.T.A Hoffmann en de kunst van het leven

Ernst Theodor Hoffmann (1772-1822). Het enige authentieke portret naar het schijnt van Wilhelm Hensel

Je kunt maar beter in meer dan één verhaal geloven, want anders wordt het leven wel heel armoedig. Wie wil alleen Kunstenaar, Ambtenaar, #Me2-slachtoffer of, godbetert, Dader zijn? E.T.A. Hofmann (1776-1822) was een meester van de ‘polymythie’. Rüdiger Safranski maakt dankbaar gebruik van dat begrip uit de filosofie van Odo Marquard (1928-2015) om leven en werk van Hoffmann te duiden. Pluralisme is een levenskunst, dat is de belangrijkste boodschap van E.T.A. Hoffmann. Het leven van een sceptische fantast.

Wie polymytisch – door leven en vertellen – deelneemt aan een groot aantal verhalen, geniet telkens door het ene verhaal vrijheid ten opzichte van elk ander verhaal en vice versa…; wie monomytisch – door leven en vertellen – slechts mag en moet deelnemen aan één enkel verhaal, heeft die vrijheid niet: hij wordt er geheel en al […] met huid en haar door bezeten.

Het belang van een losse pols

In zijn eerste biografie, gepubliceerd in 1984 en nu voor het eerst in het Nederlands vertaald, zette Safrankski meteen de toon voor zijn latere werk over Schopenhauer, Heidegger, Nietzsche, Schiller en Goethe. Voor Safranksi is de biografische methode meer dan een middel om het oeuvre van zijn protagonist te begrijpen. Hij probeert ook te duiden hoe dat oeuvre de tijd heeft vormgegeven. Het gaat hem om de verwevenheid van leven en werk.

Hoffmann leefde en werkte in het tijdperk van de Romantiek en de Biedermeierperiode. Hij was een tijdgenoot van Novalis (1772-1801) en Heinrich von Kleist (1777-1811). Toch stond hij in zijn fantastische verhalen mijlenver van hen vandaan. Wie romantiseert, aldus Novalis, ‘[geeft] het banale een verheven betekenis, het gewone een geheimzinnig aanzien, het bekende de waardigheid van het onbekende en het eindige een schijn van oneindigheid,’ maar in het werk van Hoffmann ontaardt dat spel nooit in bittere ernst.

‘Wie zich zo vroeg als Hoffmann oefent in de kunst van het ‘zowel…als’ en van het ‘alsof’, krijgt onvermijdelijk iets van een speler, die veel belang hecht aan een losse pols. Vandaar Hoffmanns voorzichtigheid tegenover alles wat hem totaal in beslag dreigt te nemen.’

Hoffmann koos niet onvoorwaardelijk voor het kunstenaarschap, maar combineerde dat met zijn ambtenarenbestaan als staatsjurist. Eigenlijk was zijn leven van de pen een bijkomstigheid, zijn ware ambitie gold de muziek. Juist zijn ‘roeping’ als componist – een zwaar woord in zijn levensstrategie – heeft hij niet kunnen waarmaken. De meeste composities van Hoffmann gelden vandaag de dag op zijn hoogst als een curiositeit.

Hoffmann is de anti-fanaticus

Hoffmann gaat door het leven als een ogenschijnlijk keurig ambtenaar, een man die de burgerlijke normen in acht neemt ‘zonder ze te verinnerlijken’. Hij viert zijn bestaan als een carnavalesk feest, door ‘het gewone als iets vreemds voor stellen’, zoals hij al in zijn jeugdbrieven aan zijn kompaan Theodor Gottfried Hippel schreef. Zijn Prinzessin Brambilla uit 1820 is een lofzang op het thema van de omgekeerde wereld, het carnavaleske, waarin de ‘pijn van het bestaan’, het ‘chronisch dualisme’ van het alledaagse en het verhevene, het lelijke en het schone, het eindige en eeuwige slechts één remedie kent: de lach. Humor is de grote heelmeester van het leven. Volgens Heinrich Heine is het zijn briljantste werk. Wie Prinzessin Brambilla leest zonder zijn verstand te verliezen, heeft er volgens Heine geen.

Als er toch geschoten moet worden, schiet dan in de lach. Dat is de wijze levensles die Hoffmann voor ons in petto schijnt te hebben. Hoffmann was nauwelijks in politiek geïnteresseerd, laat staan dat hij ‘politiek geëngageerd’ werk schreef. Hij leefde in een tijd waarin Napoleon ogenschijnlijk gelijkheid, vrijheid en broederschap onder de volkeren kwam brengen, totdat hij zich als een despoot ontpopte. (Nadat Napoleon zich eigenhandig als keizer had gekroond, kraste Beethoven woedend zijn naam uit de partituur van zijn Derde Symfonie). Die deceptie tekende ook de generatie van Hoffmann.

De aanslag op August von Kotzebue door Karl Ludwig Sand op 23 maart 1819

Hoffmann had een afkeer van fanatisme in al zijn vormen. Hij verdedigde als jurist vol overgave de studenten die, na het echec van het Napoleontische tijdperk, heilig geloofden in de Duitse eenwording. Hij was hun pleiter tegenover een rechterlijke macht die louter hun overtuigingen al als staatsgevaarlijk definieerde. Maar hij keerde zich met eenzelfde energie van de nationalisten af als ze hun overtuigingen in daden begonnen om te zetten, zoals met de moord op August von Kotzebue (1761-1819), die de spot dreef met de ‘germanomanie’.

Het doel heiligt nooit de middelen.

‘Gelooft hij dat, als volgens die overtuiging het gestelde doel maar juist en goed is, ook elk middel om dit bereiken geoorloofd is, beschouwt hij iedereen die zich verzet tegen wat hij in zijn eigen innerlijk als juist heeft bevonden als des doods schuldig en acht hij zichzelf gerechtigd dit oordeel van de innerlijke overtuiging te voltrekken, dan zijn alle banden van de menselijke maatschappij gescheurd en dan moet zich in alle mogelijke wandaden de woeste razernij van een fanatieke waanzin, die in zichzelf de allesoverheersende oordelende God wil zien, openbaren.’

Die volzin klinkt als een afdoend argument tegen elke vorm van fanatisme, die van de moderne terrorist incluis.

In tegenstelling tot illustere tijdgenoten als Novalis en Kleist peinsde Hoffmann er niet over zich van het leven te beroven. ‘Nee, nee, leven, alleen leven – ongeacht de omstandigheden!’ verkondigde hij op zijn sterfbed. Hoffmann werkte tot zijn laatste snik aan zijn laatste verhalen, die hij met zijn reumatische lijf aan zijn vrienden moest dicteren. ‘Gij zult nooit ophouden met leven voor ge gestorven zijt, wat menigeen overkomt en ergerlijk genoeg is,’ heet het in Briefe aus den Bergen, twee jaar voor zijn dood geschreven. Wat een beminnelijke man. Rüdiger Safranski kondigt hem al aan in het Woord vooraf van deze briljante biografie: ‘Hij houdt van het leven en sterft onder protest.’

Ad fundum, broeders en zusters. Ad fundum.

E.T.A. Hoffmann. Het leven van een sceptische fantast
Rüdiger Safranski
Atlas Contact
ISBN 9789045035086
ISBN e-book 9789045035093
Verschenen in juli 2019

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 34,99)
Bestel als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 16,99)

Koop bij bol.com Bestel als paperback bij bol.com (€ 34,99)
Bestel als ebook bij bol.com (€ 16,99)
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus. Voor Vrij Nederland, Het Parool en Elsevier Weekblad schreef hij artikelen over de biografie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here