Assien Bohmers en de foute archeologie: bodemschatten voor het Reich

‘Archeologie was en is – met de kennis van nu – geen onschuldige wetenschap,’ schrijft Arnold Carmiggelt ergens op een derde van zijn vuistdikke biografie van Assien Bohmers (1912-1988), de man die het onderzoek naar het paleolithicum in Nederland op de kaart heeft gezet. Carmiggelt heeft zijn lezer dan allang van die stelling overtuigd.

De moeder van alle wetenschappen

Voor het nationaalsocialisme was de archeologie in zekere zin de moeder van alle wetenschappen. Als je kon aantonen dat de Germanen rechtstreeks afstamden van de Cro-Magnonmens, terwijl andere rassen nog nauwelijks wisten hoe ze rechtop moesten lopen, dan hoefde niemand meer te twijfelen aan de superioriteit van de Ariër, zo luidde de teneur. En de verovering van Lebensraum in het Oosten was volkomen gerechtvaardigd wanneer je ook nog eens wist hard te maken dat die oorspronkelijk sowieso al door de Germanen werd bewoond. Volgens die redenering hadden de Tsjechen niets in Tsjecho-Slowakije te zoeken, maar behoorden ze het land aan de Sudeten-Duitsers te laten. Een vrijbrief voor het Verdrag van München. Ten slotte moest er na de eindoverwinning afgerekend worden met de joods-christelijke wortels van de westerse beschaving en haar weekhartige concepties als barmhartigheid en naastenliefde. De nazitop, Himmler voorop, stond voor het Duizendjarige Rijk een pracht van een Ersatsreligion voor ogen: het voorchristelijke heidendom. En de archeologie leverde met haar vondsten van runeninscripties, Venusbeeldjes en adelaarsfibula de broodnodige relikwieën voor de nieuwe staatsgodsdienst.
In dat ‘wetenschappelijke klimaat’ floreerde Assien Bohmers als geen ander.

Ahnenerbe

Archeologen hadden een streepje voor bij Heinrich Himmler. Volgens de Reichsführer van de SS was het Germaanse ras verwerkt uit de kiemcellen van de hagel- en meteorietenregens die heel lang geleden op aarde waren neergedaald. Germanen waren dus door de hemel gezonden godenzonen en godendochters. De overige rassen, daarin had Darwin gelijk, stamden wèl van de apen af. Aan de archeologie de uitdaging zijn krankzinnige theorieën te bewijzen.

Bohmers kreeg in 1937 een aanstelling in de Forschungsgemeinschaft Deutsches Ahnenerbe, het wetenschappelijk bureau van de SS, dat twee jaar daarvoor door Himmler was opgericht. Disciplines als archeologie, taalwetenschap, volkenkunde en fysische antropologie moesten het wetenschappelijke fundament leveren voor de Blut und Bodenideologie van het nationaalsocialisme. In 1942 werd het instituut uitgebreid met een nieuwe afdeling Wehrwissenschaftliche Zweckforschung. Die voerde medische experimenten op gevangenen van concentratiekamp Dachau uit, met als doel het weerstandsvermogen van het Duitse volk te verhogen. Wolfram Sievers, Reichsgeschäftführer van Ahnenerbe, kreeg daarvoor in 1947 de strop. Bohmers had tijdens het proces in Neurenberg nog een goed woordje voor zijn voormalige chef gedaan, maar dat mocht dus niet baten. Volgens zijn schoonzoon kreeg Bohmers het sindsdien Spaans benauwd wanneer iemand in zijn omgeving de vervloeking ‘Stik!’ in zijn mond nam.

De rol van Bohmers tijdens de ooorlog

Carmiggelt behandelt de rol die Bohmers in de oorlog heeft gespeeld buitengewoon consciëntieus. Wat had Bohmers wel en wat hij niet op zijn kerfstok? Hij bezondigde zich niet aan antisemitische beschouwingen in zijn wetenschappelijke artikelen, ook werd hij nooit lid van de SS, al had hem dat hem voor en tijdens de oorlog zonder meer vooruit geholpen. Wel ging Bohmers zonder blikken of blozen op rooftocht naar artefacten bij de vuursteenvindplaatsen van Dolní Věstonice in Tsjecho-Slowakije. De dienstdoende wetenschapper aldaar – Karel Arnoldo, de man die met zijn vondst van een Venusbeeldjes in 1925 furore had gemaakt – werd door Bohmers gewetenloos op een zijspoor gezet. Arnoldo was, aldus Bohmers in een brief aan Sievers, niet meer dan een ‘Juden Professor’.

Vuurstenen schrapers van Dolní Věstonice in Tsjecho-Slowakije © Thilo Parg (CC BY-SA 4.0)

Het beeld dat van Bohmers uit deze biografie opdoemt is dat van een rasopportunist die door de buitenwacht bepaald niet sympathiek werd gevonden. Na de oorlog verzon Bohmers een verzetsverleden bij elkaar, waarin hij zelfs claimde enige voorkennis te hebben gehad van de moordaanslag op Adolf Hitler van 20 juni 1944. Bohmers verkeerde in kringen van rechtsextremistische tegenstanders van Hitler, lieden als Friedrich Hielscher. Die geloofde in een semi-religieus federaal Europa waarin nationale minderheden als de Friezen, Bretons en Vlamingen hun rechtmatige plek onder de Germaans-Keltische broedervolken zouden krijgen. De Hielscherkreis was elitair en intellectualistisch en moest weinig weten van de populistische ideeën van Hitler, al bleef het verzet tegen de Führer veelal beperkt tot ‘innere Opposition’. Bohmers, warm pleitbezorger van de Groot-Friese gedachte, zocht tot ver na de oorlog het gezelschap van deze wapenbroeders op.

Bohmers is zijn halfbakken ideeën over de evolutie van de mens tot aan het eind van zijn leven trouw gebleven. Hij was een multiregionalist, iemand die geloofde dat de homo sapiens min of meer gelijktijdig op verschillende plekken in de wereld is ontstaan, vandaar de rassendiversiteit. DNA-onderzoek heeft inmiddels vrij aannemelijk gemaakt dat we allen van één oermoeder afstammen: ‘Black Eve’ uit Afrika. Dat moet een harde dobber zijn geweest voor een man wiens ideeën aardig in de buurt komen van ‘white supremacy’.

Tjerk Vermaning toont verschillende vondsten op de akker van Bovensmilde (1975) © Anefo (cc0)

Over de tong

In 1947 werd Bohmers door de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen gerehabiliteerd, zodat hij zijn wetenschappelijke loopbaan kon voortzetten. Dat deed hij aan het Biologisch-Archeologisch Instituut (BAI) onder leiding van Albert Egges van Giffen aan de Rijks Universteit Groningen. Toch zat het verleden Bohmers voortdurend op de hielen, al was het maar om de geruchten die met enige regelmaat over hem de kop opstaken. Hij zou als SD-infiltrant een aandeel hebben gehad in het verraad van een verzetsman, politiecommissaris Hendrik Bannink die in 1945 werd gefusilleerd. Ook meende Tjalling Waterbolk, in 1954 de opvolger van Van Giffen, dat Bohmers de kwade genius was achter de roemruchte zaak-Vermaning die zich ruim tien jaar heeft voortgesleept. In 1965 deed scharensliep en amateurarcheoloog Tjerk Vermaning een sensationele vondst in het Drentse Bovensmilde. Op grond van de vuurstenen artefacten uit het Midden-Paleolithicum die daar werden aangetroffen moest de eerste bewoning van Nederland met een jaartje of 50.000 worden vervroegd. Uiteindelijk bleek het om vervalsingen te gaan. Een blamage voor Waterbolk en zijn BAI, dat aanvankelijk in de echtheid van de artefacten geloofde. 1965 was ook het jaar dat er abrupt een einde kwam aan de wetenschappelijke carrière van Assien Bohmers. In zijn woning werd een grote partij illegale wapens aangetroffen, terwijl zijn oorlogsverleden opnieuw onder een vergrootglas kwam te liggen met het promotieonderzoek van de Canadese historicus Michael Kater naar Ahnenerbe. Had Bohmers zijn voormalige chef Waterbolk een hak gezet? Carmiggelt weet aannemelijk te maken dat Bohmers geen blaam treft in het verraad van Bannink of de zaak-Vermaning. Hij was een man die over de tong ging, weerstand opriep, ook ‘onder professoren’ in Groningen.

Arnold Carmiggelt schreef een duizelingwekkend erudiete biografie van Assien Bohmers, waarin hij een vitaal beeld schetst van het belang van de archeologie voor de nationaalsocialisten en de wetenschappelijke opstelling van lieden als Assien Bohmers. Wel laat Carmiggelt zich meeslepen door zijn ‘historische sensatie’: uitkomsten van zijn research worden hier en daar te breed uitgemeten, hij voert zichzelf – en zijn echtgenote- regelmatig als hoofdpersoon op, wat de voortgang van zijn proza niet altijd ten goede komt. Maar het onderzoek is er dan ook naar. Aan dit boek ligt ruim twintig jaar toegewijd speurwerk ten grondslag, waarin feit en fictie nauwgezet ontrafeld worden, met een afgewogen oordeel over Assien Bohmers als eindresultaat. ‘Geheimzinnigheid is zijn fort.’ Assien Bohmers (archeooloog), 1912-1988 is een zeer verdienstelijke biografie.

Geheimzinnigheid is zijn fort’. Assien Bohmers (archeooloog), 1912-1988
Arnold Carmiggelt
Uitgeverij Eburon
ISBN 9789463012393
Verschenen in november 2019

Bestelinformatie

Bestel als paperback bij bol.com (€ 34,00)

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 34,00)
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus. Voor de Volkskrant,Vrij Nederland, Het Parool en Elsevier Weekblad schreef hij artikelen over de biografie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here