Gerrit Schimmelpenninck (1794-1863) was de zoon van de bekende staatsman Rutger Jan Schimmelpenninck. Deze was in de Bataafse tijd als raadpensionaris de eerste en laatste president van ons land. Die afkomst had grote voordelen voor de loopbaan van Gerrit, maar ook nadelen. Zo bleef Schimmelpeninck jr. altijd in de schaduw van zijn vader staan. Anders dan de vader zou de zoon na zijn dood zelfs geheel in de vergetelheid raken, ook al was hij de eerste minister-president van ons land. De bedoeling van biograaf Hans Verbeek is om met zijn boek Gerrit Schimmelpenninck uit de vergetelheid te halen en hem ook te ontdoen van het negatieve stempel van verstokte conservatief. Het eerste streven is Verbeek goed gelukt, het tweede doel heeft hij slechts ten dele bereikt.
Jeugd, opleiding en huwelijk
Gerrit Schimmelpenninck werd in 1794 geboren in Amsterdam, waar zijn vader een bekend advocaat van de welgestelde koopmanswereld was. Rutger Jan Schimmelpenninck werd in 1798 door het gematigde Bataafse bewind van Alexander Gogel c.s. benoemd tot ambassadeur in Parijs en later Londen. Grote en blijvende indruk maakte op de jonge Gerrit het bijzonder dreigende gejoel dat radicale oproerkraaiers in de Parijse Tuilerieën aanhieven.
Rutger Jan werd door toedoen van keizer Napoleon in Nederland benoemd tot raadpensionaris, maar werd een jaar later door deze machthebber opzij geschoven ten gunste van diens broer Lodewijk Napoleon. De vader trok zich met zijn gezin terug op de havezate Nijenhuis in het Twentse Diepenheim, die hij in 1804 had geërfd. Aangezien hij een wrok was gaan koesteren jegens Napoleon, juichte hij de komst van Willem I in 1813 toe. Twee jaar later werd Rutger Jan door de koning tot lid van de Eerste Kamer benoemd. Verbeek vindt het opmerkelijk, dat vader Schimmelpenninck en later ook zijn zoon Gerrit goed lagen bij de Oranjekoningen, gezien de anti-orangistische houding van de patriotten waarvan Rutger Jan in de Bataafs-Franse tijd het boegbeeld zou zijn geweest. Maar dan vergeet hij, dat deze een zeer gematigde patriot was, die steeds op samenwerking met de Oranjegezinden had aangestuurd.
Door het verblijf in Parijs en Londen raakte Gerrit vertrouwd met de Franse en Engelse taal, wat hem later als diplomaat goed van pas kwam. Van huisonderwijzers kreeg hij les in de klassieke talen, geschiedenis van de oudheid en retoriek. In 1812 ging hij op achttienjarige leeftijd rechten studeren in Leiden. Al een jaar later werd hij door zijn vader teruggeroepen om toe te zien op de veiligheid van de havezate Nijenhuis, vanwege de dreiging die uitging van de komst van de kozakken in de omgeving van Diepenheim. Hij brak zijn studie af en ging ook niet naar Leiden terug.
In 1815 trouwde Gerrit op 21-jarige leeftijd met de Almelose domineesdochter Henrietta Stulen, die echter al na een half jaar door ziekte overleed. Enkele jaren later trouwde hij met zijn tweede vrouw Jeannette von Knobelsdorff, de dochter van een Pruisische baron en barones Van Dedem. Hij kreeg acht kinderen bij haar. Verbeek verontschuldigt zich als het ware dat de vrouwen weinig aandacht krijgen in zijn boek. Hij wijt dat aan het gebrek aan informatie, maar vermeldt tegelijkertijd dat toch vele liefdevolle brieven tussen de echtelieden Gerrit en Jeannette bewaard zijn gebleven.

Eerste banen: koopman, directeur en secretaris van Staat
Verbeek legt er veel nadruk op dat Gerrit voor zijn loopbaan veel profijt had van zijn afkomst. Zo werd Gerrit op 22-jarige leeftijd door de vader aan zijn eerste baan geholpen bij het Amsterdamse handels- en bankiershuis Van Staphorst, waar hij volontair en later vennoot werd. Schimmelpenninck sr. was juridisch adviseur geweest van dit gerenommeerde handelshuis en een broer van hem was er directeur geworden. Als gevolg van de moeilijke economische omstandigheden ging het echter slecht met het bedrijf; het werd in 1824 geliquideerd.
Verbeek signaleert dat Gerrit ook de volgende baan door toedoen van zijn vader kreeg. Als “blijk van bijzondere hoogachting” voor de oud-raadpensionaris werd Gerrit benoemd tot een van de directieleden van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die in 1824 door koning Willem I werd opgericht om de noodlijdende handel en nijverheid te bevorderen. In 1827 volgde zijn benoeming tot president-directeur. Onder de directe bescherming van koning Willem I bouwden Schimmelpenninck en de zijnen een volledig monopolie op bij de handel en het transport van en naar de Nederlands-Indië. De koning was zo tevreden over Schimmelpenninck dat hij hem in 1832 bij wijze van eerbetoon tot Staatsraad in buitengewone dienst benoemde.
Verbeek gaat vrij uitgebreid in op de bemoeienissen van Schimmelpenninck met het ontwikkelen van een nieuwe textielindustrie, met name in Twente. Ook krijgt een opmerkelijk plan van Schimmelpenninck aandacht om op het verre Java een ‘militaire’ negerkolonie’ te stichten om te voorzien in het chronische tekort aan manschappen voor het koloniale leger in Nederlands-Indië.
Nadat gezondheidsproblemen in 1834 tot zijn ontslag bij de NHM hadden geleid, trok Schimmelpenninck zich enige tijd terug op zijn havezate in Diepenheim. Daar deed hij veel moeite om – met een verwijzing naar zijn succesvolle werk bij de NHM – de koning te bewegen hem de titel van graaf toe te kennen, hetgeen in juni 1834 gelukte.
Gezien zijn goede verhouding met de koning waren er tijdens zijn jaren bij de NHM enkele malen geruchten geweest over een ministerschap. Schimmelpenninck werd in november 1835 Secretaris van Staat, een zeer belangrijke schakelfunctie tussen de koning en zijn ministers. De koning was een workaholic en hij vroeg erg veel van zijn hoogste staatsambtenaar. Deze was dan ook nauwelijk zeven maanden na zijn aantreden al overwerkt en moest in september 1836 ontslag nemen.
Diplomaat in Rusland en Groot-Brittanië
Dat de verstandhouding met de koning toch goed was gebleven, blijkt uit de benoeming van Schimmelpenninck tot buitengewoon gezant in Rusland in september 1837. In Sint Petersburg had hij het vooral druk met het bezoeken van bals en feesten. In 1840 keerde hij terug naar het vertrouwde Diepenheim. Er volgde een intermezzo van zes jaren, waarin hij een biografie van zijn vader schreef, hetgeen hij combineerde met het lidmaatschap van de Eerste Kamer.
In oktober 1846 zette hij zijn diplomatieke loopbaan voort. Schimmelpenninck werd toen benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Londen. Hij kreeg te maken met verschillende meningsverschillen tussen Londen en Den Haag, onder meer over de invloed van Engeland in Nederlands-Indië en de slavernij in Suriname. Verbeek noemt het zeer kenmerkend voor Schimmelpenninck dat hij als diplomaat vaak los van Den Haag initiatieven nam en de zaken zoveel mogelijk zelfstandig afhandelde.
Een biografie als opmaat voor een zware controverse
Tijdens het intermezzo tussen de diplomatieke posten in Sint-Petersburg en Londen wijdde Gerrit zich vooral aan een levensbeschrijving van zijn vader. De biografie moest “een waardig monument” voor de raadpensionaris worden. Toen het boek in twee delen in 1845 gepubliceerd werd, waren er vele lovende reacties. Alleen de liberale hoogleraar Thorbecke schreef een uiterst kritische recensie, waarin hij de betekenis van Schimmelpenninck sr. bagatelliseerde. Deze zou noodzakelijke hervormingen achterwege hebben gelaten en slechts op de winkel hebben gepast. Bovendien liet Thorbecke blijken geen hoge dunk te hebben van de auteur, die volgens hem een zeer ouderwetse levensbeschrijving had geschreven.
Verbeek ziet deze controverse terecht als de opmaat voor de latere politieke strijd tussen Thorbecke en Schimmelpenninck, een opmerkelijk fenomeen in de geschiedenis van het biografische genre. Schimmelpenninck was diep beledigd door de kritiek op zijn levenswerk. Hij beschouwde Thorbecke als een kamergeleerde, die in wezen een gevaarlijke revolutionair was. De liberale hoogleraar zag op zijn beurt Schimmelpenninck als een verwaande kwast, vol zelfoverschatting. Bovendien beschouwde hij hem als een man van de oude stempel, die bestuurlijk nog niets had gepresteerd en in het verleden was blijven hangen. Wellicht doelde hij daarmee ook op de opstelling van Schimmelpenninck als lid van de Eerste Kamer, waar deze zich onder meer tegen lastenverhogingen voor de hogere inkomens had verzet.
Roerige periode 1847-1848
De kern van het boek van Hans Verbeek is een gedetailleerde beschrijving van de gebeurtenissen in 1847-1848 rond de grondwetsherziening vanuit het perspectief van Gerrit Schimmelpenninck. Verbeek schetst het beeld van een betrekkelijke buitenstaander, die ogenschijnlijk slimme zetten deed. Deze pakten uiteindelijk toch geheel verkeerd uit omdat Schimmelpenninck – ook door zelfoverschatting – de politieke situatie onjuist bleek te hebben ingeschat.
Vanuit Londen nam Schimmelpenninck waar dat in Nederland de spanningen over een grondwetsherziening toenamen. In oktober 1847 nam koning Willem II na lang te hebben geaarzeld een aankondiging op in de Troonrede dat hij een voorstel zou doen tot wijziging van de grondwet. Toen het ontwerp in maart 1848 werd gepubliceerd, vonden velen echter dat het voorstel niet ver genoeg ging. Buiten medeweten van zijn ministers vroeg de koning advies aan de voorzitter van de Tweede Kamer, de ministers waren daarover zo verbolgen dat ze ontslag namen. Na demonstraties op 15 en 16 maart sprak Willem II de geruchtmakende woorden, dat hij in 24 uur van zeer conservatief zeer liberaal was geworden. Blijkbaar in verwarring geraakt nam hij vervolgens enige tegenstrijdige besluiten. Hij liet het grondwetsontwerp nog wat aanscherpen en legde het aan de Kamer voor. Niettemin ging hij ook akkoord met de instelling van een nieuwe, overwegend liberale grondwetscommissie, waarin onder meer Thorbecke, Donker Curtius en Luzac zitting kregen. Tevens gaf hij in het geheim opdracht aan Schimmelpenninck om naar Den Haag te komen. Hij vroeg aan deze representant van de gevestigde orde ‘om hem en het land uit de anarchie te redden’.
Schimmelpenninck stelde enkele harde eisen. Hij wenste een grondwet naar Brits model en hij wilde zelf de ministers kiezen die onder zijn voorzitterschap een homogeen kabinet zouden vormen. Na inwilliging van deze voorwaarden door de koning en een zeer snelle formatie kon de nieuwe premier zijn kabinet op 25 maart presenteren. Later zou Schimmelpenninck er spijt krijgen dat hij wel de eis van een Britse grondwet had gesteld, maar tevens een zelfstandige grondwetscommissie met Thorbecke had aanvaard. Hij meende een slimme zet te doen door twee leden van de commissie, te weten Donker Curtius en Luzac, in zijn kabinet op te nemen. Daarmee dacht hij de grondwetscommissie naar zijn hand te kunnen zetten. Tegen zijn verwachting in kreeg hij echter geen informatie over het werk van de grondwetscommissie, laat staan dat hij er invloed op kreeg. De commissie maakte snel vorderingen met een ontwerp dat op tal van punten afweek van het Britse stelsel. Nadat de commissie het ontwerp had afgerond, negeerde de koning zijn afspraak met Schimmelpenninck over een Brits stelsel. Hij stemde op 13 april in met het ontwerp, en liet daarmee de minister-president als een baksteen vallen. Vervolgens zorgde Thorbecke er persoonlijk voor, dat het ontwerp snel gedrukt en verspreid werd.
Bij de daaropvolgende behandeling in de ministerraad voerde Schimmelpenninck tal van bezwaren aan en verwees hij telkens naar de verschillen met het Britse stelsel. Een belangrijk punt voor hem was het ontbreken van een Eerste Kamer naar het voorbeeld van het Engelse Hogerhuis, met door de koning voor het leven benoemde leden. Grondbezit en en een respectabele status zouden criteria voor verkiesbaarheid van de leden zijn. Na een lange procedure bleek uiteindelijk de meerderheid van de ministers voor het ontwerp te zijn. Daarmee was het ontslag van Schimmelpenninck onvermijdelijk geworden, dat vervolgens op 13 mei plaatsvond, nog geen twee maanden na het aantreden van het kabinet.
Het door Schimmelpenninck ingevoerde systeem met een minister-president werd meteen weer geschrapt. Zoals Hans Verbeek concludeert was Schimmelpenninck weliswaar de eerste minister-president van Nederland, maar was hij ook – mede door eigen toedoen- de eerste mislukte premier. Schimmelpenninck keerde terug naar Londen, maar woonde als lid van de Eerste Kamer wel de behandeling van nieuwe grondwet bij. Hij keerde zich tegen de grondwet, maar behoorde tot een minderheid.
Daarna is de vaart wat uit de biografie. Schimmelpenninck bleef nog enige jaren gezant in Londen, maar in 1851 kreeg hij op 57-jarige leeftijd ontslag en vestigde hij zich weer in Diepenheim. Hij werd nog gekozen in de gemeenteraad en speelde als markerichter een belangrijke rol bij de verdeling van markegronden rond Diepenheim. In 1853 stelde hij zich verkiesbaar voor de Tweede Kamer met de bedoeling om de door Thorbecke aangevoerde liberale stroming te bestrijden en revanche te nemen. De grondwet kwam echter niet meer aan de orde. Wel deed zich nog een krachtmeting voor tussen de politieke vijanden Thorbecke en Schimmelpenninck bij een strijd tussen voorstanders van protectionisme en vrijhandel, waarbij Schimmelpenninck bleek te behoren tot een zeer kleine minderheid. Toen hij zich in 1855 opnieuw kandidaat stelde, werd hij niet herkozen.
In 1852 was zijn echtgenote Jeannette van Knobelsdorff op het Nijenhuis overleden. Hij was 33 jaar met haar getrouwd geweest. Het was een gelukkig huwelijk, maar Verbeek heeft zoals gezegd weinig aandacht aan haar bestaan gegeven. Drie jaar later trouwde hij tegen de zin van zijn acht kinderen met zijn derde vrouw Louise van Schuylenburch.
De moeite waard
Verbeek heeft Gerrit Schimmelpenninck aan de vergetelheid willen ontrukken. Daarbij keert hij zich ook tegen het stempel van “zeer conservatieve graaf” dat Schimmelpenninck kreeg opgedrukt in de historiografie. Hij waagt het echter niet om hem langs de conservatief-liberale meetlat te leggen. Liever ziet hij het onderscheid tussen Thorbecke en Schimmelpenninck in hun opvattingen over politiek bedrijven. Voor Thorbecke en de zijnen was de politiek een open proces, waarbij de grondwet diende om de maatschappij vorm te geven. Schimmelpenninck was wars van politieke discussie en ideeënuitwisseling. Voor hem was politiek bedrijven vooral besturen met het oog op de belangen van de notabelen en de gevestigde orde. Politiek moest voor stabiliteit en rust zorgen. In wezen bleef Schimmelpenninck toch de Twentse landheer die het nationale bestuur zag als het beheer van een landgoed.
Gerrit Schimmelpenninck kan niet worden aangemerkt als een man die een cruciale invloed heeft gehad op maatschappij en politiek. Toch is zijn biografie de moeite waard, omdat ze gaat over een man die actief was op diverse interessante plaatsen in de samenleving. Hij had een boeiend leven door zijn relaties met het Amsterdamse handelscircuit, zijn functies in Den Haag en zijn activiteiten als diplomaat. Ook had hij als landeigenaar een sterke relatie met het oostelijke en landelijke deel van Nederland.
Deze combinatie maakt hem ook interessant voor de historiografie, aangezien het boek niet alleen licht op zijn zeer van zichzelf overtuigde persoon werpt, maar ook op verschillende elementen van de maatschappelijke en politieke geschiedenis van ons land in de negentiende eeuw. Daarbij boekte Schimmelpenninck niet alleen resultaten als directeur NHM en diplomaat, maar kende hij vooral forse tegenslagen. Zijn snelle val als minister-president was het dieptepunt. Tragisch was ook, dat hij na zijn derde huwelijk met zijn kinderen in onmin leefde, hoewel zij wel allen aanwezig bij zijn overlijden in 1863. Een andere tragiek van zijn leven was dat er vijftien jaar na zijn mislukte minister-presidentschap in het land zeer weinig aandacht was voor zijn overlijden. Hij was een vergeten minister-president.
Verbeek is op 8 april jl. aan UvA op zijn biografie gepromoveerd. Het boek is gebaseerd op een nauwgezet onderzoek in de literatuur en in de particuliere documentatie van de familie Schimmelpenninck en tal van andere archieven. Het bevat een zeer uitgebreid notenapparaat. Maar het is zeker ook een genoegen om de biografie te lezen. De schrijver heeft een ruime ervaring als journalist en voorlichter en hij beschikt daarmee over een goede en levendige schrijfstijl.
De vergeten minister-president, Gerrit Schimmelpenninck (1794-1863)
Hans Verbeek
Uitgeverij Prometheus
ISBN hardcover 978 90 446 6058 6
ISBN e-book 978 90 446 6059 3
Verschenen in april 2026
Bestelinformatie
Bestel als hardcover bij bol.com (€ 39,99)Bestel als e-book bij bol.com (€ 23,99)










