Lilian Posthumus-Van der Goot (1897-1989) is een vandaag de dag vrijwel onbekende feministe van de tussengeneratie. Die onbekendheid is in zoverre onterecht dat haar levensverhaal exemplarisch is voor de weerstanden en dilemma’s waarvoor feministes zich in de jaren 1925-1965 zagen geplaatst. Los daarvan heeft mw. W.H. Posthumus-Van der Goot sowieso een meer dan gemiddeld boeiend leven geleid, dat het waard is te worden doorverteld. Het is daarom goed dat Antia Wiersma haar biografie heeft geschreven.
Feministe van de tussengeneratie
Mw. W.H. Posthumus-Van der Goot werd als Wilhelmina Hendrika van der Goot in 1897 geboren in Pretoria. Haar geboortejaar plaatst haar in de tussengeneratie in de feministische beweging: dat wil zeggen tussen de generatie van befaamde pioniers als Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker enerzijds en die van de feministes uit de jaren 60 en 70 als Joke Kool-Smit en Hedy d’Ancona anderzijds.
Lilian (ook wel Lily of Willemijn) Posthumus-Van der Goot en andere feministes van de tussengeneratie als Marie Anne Tellegen (1893-1976) en Corry Tendeloo (1897-1956) werden geconfronteerd met een sociaal-culturele backlash die niet alleen belemmerend werkte voor de verdere emancipatie van de vrouw, maar ook eerdere hervormingen dreigde terug te draaien. Dit tijdperk van reactie en restauratie begon eind jaren 20 en duurde tot diep in de jaren 50.
Uiteraard was dit gure reactionaire klimaat van invloed op de wijze waarop deze feministes van de tussengeneratie opereerden. Wat dat betreft is er sprake van een opmerkelijk verschil in de wijze waarop de biografen van Tellegen en Tendeloo (Weenink respectievelijk Linders) en Wiersma inzake Posthumus-Van der Goot een en ander percipiëren[1]. Weenink en Linders duiden het gure klimaat vooral als een door hun subjecten te overwinnen weerstand: een taak waarin zij dankzij hun persoonlijkheid in belangrijke mate slaagden: kortom een voluntaristische duiding.
Wiersma daarentegen kiest voor een meer deterministische insteek. In het inleidende hoofdstuk formuleert zij daartoe een, in een nu en dan naar mijn smaak loodzwaar jargon geformuleerde, vraagstelling. In de slotbeschouwing wordt deze vraagstelling keurig beantwoord. Kort door de bocht: daar waar Posthumus-De Groot haar doelen niet of niet geheel bereikte was dat vooral te wijten aan externe factoren, met name het bedoelde gure reactionaire klimaat. Posthumus-De Groot koos voor een (tactische) aanpassing aan de tijdgeest. Wiersma hanteert hiervoor de sociaal-wetenschappelijke termen identiteitsconstructie en identiteitsperformance.
Deze benadering overtuigt mij niet helemaal. Het komt mij voor dat ook de persoonlijkheid van Lilian Posthumus-Van der Goot en dan met name tekortkomingen op dat vlak debet waren aan haar levensloop en dan met name haar optreden als feministisch activiste inclusief haar deconfitures op dat vlak. Scherp gesteld (en het zijn mijn woorden): in vergelijking met Tellegen en Tendeloo was Posthumus-Van der Goot toch van het tweede garnituur. De waarom-vraag dient zich dan onverbiddelijk aan. Na lezing van de biografie ben ik, zoals al opgemerkt, geneigd het antwoord te zoeken in de persoonlijkheid van Posthumus-De Groot.
Het voorgaande neemt niet weg dat Posthumus-Van der Goot belangrijke verdiensten heeft gehad voor het verbeteren van de positie van de vrouw. Deze verdiensten worden door Wiersma bekwaam beschreven: Lilian Posthumus-De Groot was de motor achter de totstandkoming van het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (IAV), auteur van het historisch overzichtswerk Van moeder op dochter, verzorgde jarenlang (van 1936 tot en met 1951) de rubriek “Van vrouw tot vrouw” voor de AVRO-radio, waarmee zij een groot publiek bereikte, en niet te vergeten: zij was de eerste vrouwelijke econoom in Nederland die in 1930 promoveerde in deze discipline op het proefschrift De besteding van het inkomen. Het indexcijfer van de kosten van levensonderhoud.

Deftig en koloniaal
Dan nu de persoon en de persoonlijkheid van Posthumus-Vander Goot. Hierover bevat de biografie een schat aan informatie. De auteur heeft door middel van grondig en gedegen onderzoek veel boven water gekregen en daar een mooi geschreven verhaal van gemaakt. Ik geef een korte samenvatting.
Lilian Posthumus-Van der Goot werd in 1897 geboren in Pretoria, de hoofdstad van het destijds onafhankelijke Transvaal (officieel: de Zuid-Afrikaanse Republiek). Haar vader, Fiepko (Koos) van der Goot, was werkzaam als ingenieur bij de Nederlands Zuid-Afrikaanse Spoorwegmaatschappij (NZASM). Koos van der Goot was afkomstig uit een welgesteld Groninger doopsgezind ondernemersgeslacht. Haar moeder, Elisabeth Marijna (Bep) Castens, had een Indische achtergrond. Ik had graag nog wat meer willen weten over deze geslachten Van der Goot en Castens, bijvoorbeeld over hun politieke opvattingen. Interessant en relevant is ook de (onbeantwoorde) vraag of Lily Posthumus-Van der Goot via de Castens-lijn Indonesische voormoeders heeft gehad. Enig snel speurwerk op genealogische websites levert enkele aanwijzingen in die richting op.
In 1905 verhuisde het gezin Van der Goot-Castens, inmiddels uitgebreid met een tweede dochtertje, Annie, naar Nederlands-Indië. De beide zusjes Van der Goot genoten daar het bevoorrechte leven van kinderen van ouders die behoorden tot de koloniale bovenlaag. Wiersma geeft hiervan een beeldende schets en plaatst een en ander in de juiste morele context. Vreemd genoeg laat zij dat na in haar beschrijving van het eerdere verblijf van het gezin in Pretoria. Transvaal kende namelijk een apartheidsregime avant la lettre, dat in ethisch opzicht nog heel wat dubieuzer was dan het Nederlands koloniale bewind in de Archipel tijdens de tempo doeloe.
Wiersma stelt terecht dat deze bevoorrechte jeugd van invloed moet zijn geweest op het karakter van Lilian van der Goot. Immers, opgroeien met de spreekwoordelijke gouden lepel in de mond en met het superioriteitsgevoel dat inherent was aan de koloniale verhoudingen doen wat met een mens.
Toch is dat niet het hele verhaal. Ten minste zo belangrijk voor de ontwikkeling van Lilian van der Goot moet het suboptimale huwelijk van haar ouders zijn geweest. De biograaf laat in het midden wat de oorzaken hiervan waren, maar suggereert met zoveel woorden dat deze wel eens gelegen zouden kunnen zijn in het actieve sociale leven van Bep Castens. Moeder Bep en dochter Lily trokken daarin vaak gezamenlijk op. Daarbij werd er niet alleen samen gewinkeld en de bioscoop bezocht, maar ook de sociëteit en clubs.
Dit actieve sociale leven leidde ertoe dat de jonge Lilian van der Goot, een knappe en “goedverzorgde jongvolwassen vrouw” (ik citeer Wiersma) niet had te klagen over aandacht van het andere geslacht. De biograaf maakt gewag van ‘”several flirtations” tegelijk’ en een “engagement”. Vader Van der Goot vreesde echter decorumverlies met alle gevolgen van dien voor zijn reputatie en loopbaan. Dat betrof ook het gedrag van zijn echtgenote. Zoals al opgemerkt laat de biograaf het aan de lezer over conclusies te trekken. Hoe het ook zij, in 1915 werd een nette oplossing gevonden. Moeder en dochter repatrieerden naar Nederland en Koos van der Goot bleef in Batavia.
Foute man?
Een goeddeels onbeantwoorde vraag is in hoeverre de matige relatie tussen haar ouders van invloed is geweest op de kijk van Lilian van der Goot op haar eigen verhouding tot het mannelijk geslacht. Vaststaat dat zij een sterke band met haar moeder had en in veel opzichten op haar leek. Beiden waren zelfbewuste vrouwen die zich weinig gelegen lieten liggen aan de sociale conventies van die tijd. De jonge Lily trok zich in ieder geval weinig aan van wat de goegemeente van haar en haar gedrag vond en trok haar eigen plan.
Al op jonge leeftijd ging zij relaties met mannen aan, die in enkele gevallen leidden tot (officieuze) verlovingen. Nadat een zekere De van Kessel het veld had geruimd, diende een anoniem gebleven Spanjaard zich aan, gevolgd door de Engelse officier Noël Wilcox, met wie zij graag was getrouwd. Hij dacht er echter anders over, zodat ook deze romance niet door een huwelijk werd bezegeld.
We schrijven inmiddels 1920. De intussen 23-jarige Lily van der Goot had zich na een brokkelig traject van heel of half mislukte dan wel afgebroken schoolopleidingen ingeschreven als studente in de Handelswetenschappen (economie) aan de Rotterdamse Handelshogeschool (de voorloper van de Erasmus Universiteit). Daar leerde zij de hoogleraar Posthumus kennen. Posthumus was in die dagen een bekende historicus, twintig jaar ouder dan Van der Goot en getrouwd met twee kinderen. Dat alles vormde geen belemmering voor Lilian van der Goot avances te maken richting Posthumus; of was het andersom? Posthumus stond bekend als een notoire schuinsmarcheerder en rokkenjager. Om kort te gaan: er ontwikkelde zich een intieme relatie die begin 1931 uitmondde in een huwelijk. Wiersma stelt dat Van der Goots huwelijk met Nicolaas Posthumus de apotheose vormde van een jarenlange, romantische zoektocht naar de “ideale man”, wellicht zelfs de spreekwoordelijke “prins op het witte paard’
Dat bleek echter te mooi om waar te zijn. Al snel kwamen er barsten in het huwelijksgeluk. Tussen neus en lippen door maakt Wiersma gewag van affaires die Nicolaas (“Nien”) Posthumus al in de jaren ‘30 zou hebben. Helaas worden nadere details niet verschaft. Wel meldt Wiersma dat Lilian een en ander niet helemaal over haar kant liet gaan. Zij begon op haar beurt een romance met de 23 jaar jongere “Freddy”. Toen puntje bij paaltje kwam verzoende zij zich evenwel met haar echtgenoot en beëindigde haar affaire met deze Freddy. Die verzoening leidde wel tot een zwangerschap die resulteerde in de geboorte van dochter Claire, met wie Posthumus-Van der Goot later een moeizame relatie had.
De verzoening hield geen stand. Nicolaas Posthumus kreeg na de bevrijding een relatie met de veel jongere Wil van Straalen. In 1949 werd uit die relatie een zoontje geboren. Voor Lily Posthumus-Van der Goot was de maat vol. Zij eiste een scheiding die er met de nodige moeite ook kwam. De overspelige echtgenoot Nien Posthumus liet zich hierbij niet van zijn beste kant zien. Er lijkt me hier duidelijk sprake van een bepaald soort foute man. Hij was echter niet alleen egoïstisch en wellicht zelfs narcistisch, maar ook – zoals wel vaker in dit soort gevallen – charismatisch en charmant. Ook was hij een toonaangevend geleerde en bovendien directeur van het prestigieuze Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis. Curieus detail: Lilian van de Goot bedong dat zij de naam Posthumus mocht blijven voeren.
Feministisch activiste
Hoe fout Posthumus als echtgenoot ook geweest moge zijn, feit is wel dat hij, zeker in de eerste jaren van hun relatie, zijn echtgenote intellectueel behoorlijk heeft gestimuleerd. Die stimulans heeft er zeker aan bijgedragen dat Lily van de Goot een goed ontvangen dissertatie schreef en daarvoor baanbrekend onderzoek verrichte. Daarmee was haar naam als wetenschapper gevestigd.
Nien Posthumus, een verlichte sociaal-democraat, legde zijn vrouw ook geen strobreed in de weg toen zij in de jaren 30 actief werd in de feministische beweging die toen niet bepaald de wind mee had. Pogingen van confessionele zijde om de toch al beperkte arbeidsparticipatie van (gehuwde) vrouwen nog verder aan banden te leggen hadden echter een mobiliserend effect, zeker op Lily Posthumus-Van der Goot. Zij werd actief in het verzet tegen deze reactionaire voornemens en sloot zich aan bij keurige feministische organisaties als de Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen en de Vereniging van Vrouwen met een Academische Opleiding. Al snel belandde zij in een netwerk van doorgaans hoogopgeleide progressieve feministes. Daar bleef het niet bij Lilian Posthumus-Van der Goot nam het voortouw bij de oprichting van het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (IAV), het huidige Atria. Zij werd daarin gesteund door haar echtgenoot die directeur was van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en dus over waardevolle connecties beschikte.
Tijdens de Duitse bezetting stond Posthumus-Van der Goot aan de goede kant van de streep. Zij was actief in de illegaliteit en zette zich in voor Joodse onderduikers. Zij was ook betrokken bij de voorbereiding van de oprichting van een overkoepelende brede organisatie van en voor vrouwen. Die organisatie kwam er na de bevrijding ook (het Nederlands Vrouwen Comité, NVC), echter niet met Posthumus-Van der Groot als voorzitter, zoals zij had verwacht. Wel werd zij lid van het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, waar haar ideeën over meer waardering voor de specifiek vrouwelijk inbreng in de samenleving in goede aarde vielen. Haar pleidooi voor erkenning van het huisvrouwschap als volwaardig beroep sloot daarbij aan. Intrigerend is de vraag of en in hoeverre Posthumus-Van der Goot met deze benadering tegemoet kwam aan de behoudende tijdsgeest. Als ik het goed zie beantwoordt Wiersma deze vraag ontkennend.
In het verlengde van deze insteek werd Posthumus-Van de Goot in de direct naoorlogse periode een warm pleitbezorger van de oprichting van een Huishoudraad. Die kwam er uiteindelijk niet. Dat was mede te wijten aan de fricties en conflicten die regelmatig rondom Lilian Posthumus-van der Goot ontstonden; Wiersma beschrijft er diverse. Een en ander leidde ertoe dat begin jaren 50 Posthumus-Van der Goot in de marge van de vrouwenbeweging terecht was gekomen. Pas tijdens de tweede feministische golf werd zij herontdekt en kreeg zij de waardering die haar toekwam.
Ik had graag wat meer gelezen over de persoonlijkheid van Lilian Posthumus-Van der Goot. Mijn indruk is namelijk dat daarin een belangrijke reden was gelegen voor de vele fricties, ruzies en conflicten die zij opriep en daarmee ook voor haar falen een leidende rol in de Nederlandse vrouwenbeweging te spelen.
Politiek en partijpolitiek
In de titel van de biografie komt het woord “partijloos” voor. Wiersma refereert daarmee aan een uitspraak van Posthumus-Van der Goot zelf dat zij zich niet aan enige politieke partij verbonden voelde. Partijloos wil echter niet zeggen apolitiek. Gelet op haar activiteiten hield Posthumus-Van de Goot zich natuurlijk wel degelijk met politiek bezig. Ook spreekt het vanzelf dat zij haar stem uitbracht. Kortom, politiek kleurloos zal zij allerminst zijn geweest. Het is daarom jammer dat de biograaf niet een poging waagt om haar onderzoeksobject ergens in het politieke spectrum te plaatsen.
Laat ik dat verzuim een beetje goed maken. Kijkend naar de vrijzinnige levensbeschouwelijke achtergrond van de beide ouders is het zeer onwaarschijnlijk dat zij op een confessionele partij zullen hebben gestemd. Hun maatschappelijke positie maakt het evenmin aannemelijk dat zij aanhangers van de sociaal-democratische beginselen waren. Resteren de vrijzinnige partijen. De doopsgezinde en Groninger achtergrond van vader Van der Goot wijst in de richting van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB). De koloniale roots van moeder Castens maken echter de meer behoudende Vrijheidsbond tot een logischer keuze. Dezelfde koloniale dimensie maakt het evenzeer waarschijnlijk dat de politieke voorkeur van Koos van der Goot die kant opging. Ik durf daarom de stelling aan dat ook de jonge, nog ongehuwde Lily van der Goot liberaal zal hebben gestemd.
Na haar huwelijk met de sociaal-democratische Nicolaas Posthumus is het aannemelijk dat zij politiek naar links is opgeschoven. Haar afkeer van het anti-emancipatorische beleid van de jaren 30 wijst ook in die richting. Ik gok op de SDAP, maar de VDB (de partij van Corry Tendeloo en waarschijnlijk ook van Marie Anne Tellegen) is zeker ook mogelijk.
Na de bevrijding opereerde Posthumus-Van der Goot in de kring van Mies Boissevain-Van Lennep en haar vrouwenpartij “Praktisch beleid” die aan de raadsverkiezingen van 1946 deelnam. Zij ondersteunde die partij ook met raad en daad (vooral het eerste). Wiersma maakt weinig woorden vuil aan deze episode in het leven van haar biografische lijdend voorwerp. Duidelijk is wel dat Lily Posthumus-Van der Goot niet zo partijloos was als zij zelf (later) deed voorkomen.
Jolande Withuis heeft in haar proefschrift over de geschiedenis van de Nederlandse Vrouwenbeweging (NVB),[2] een breed opgezette club die al snel verwerd tot een communistische mantelorganisatie, aandacht besteed aan de betrokkenheid van Bossevain-Van Lennep bij de (vroege) NVB. Mies Boissevain-Van Lennep, voor de oorlog nog keurig liberaal, radicaliseerde, denkelijk onder invloed van haar ervaringen tijdens de Duitse bezetting (Jodenvervolging, illegaal werk, concentratiekamp), in linkse richting. Ook toen zij zich, toen de koude oorlog was begonnen, had gedistantieerd van het communistische kamp, bleef Boissevain-Van Lennep idealistisch-progressieve opvattingen uitdragen. Ik denk dat voor Lilian Posthumus-Van der Goot in belangrijke mate hetzelfde gold, al was zij nooit lid van de NVB, maar – zoals al opgemerkt – waarschijnlijk wel van het vooruitstrevende “Praktisch beleid”. Het feit dat Posthumus-Van der Goot zich later manifesteerde als vredesactiviste en aanhanger van het gedachtengoed van de Club van Rome, past naadloos in dit beeld.
Positie kiezen
In het voorgaande heb ik enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij Wiersma’s biografie (tevens haar proefschrift) van Lilian Posthumus-Van der Goot. Die kanttekeningen doen niet af aan de onmiskenbare kwaliteit van het boek. Wiersma heeft een indringend portret geschetst van een intrigerende persoonlijkheid en van het tijdsgewricht waarin haar lijdend voorwerp leefde en werkte.
Daarmee heeft deze biografie duidelijk toegevoegde waarde voor de geschiedschrijving van niet alleen de Nederlandse vrouwenbeweging en de vaak moeizame emancipatie van de vrouw, maar ook van het dikwijls benepen en reactionaire politieke en maatschappelijke klimaat van een groot deel van de vorige eeuw.
Dat laatste brengt de aandachtige lezer onaangenaam dichtbij de duistere kanten van de wereld van vandaag de dag, zoals de “tradwife”-beweging, onderdeel van een veel bredere uiterste-behoudende, anti-democratische en anti-rechtsstatelijke politieke en maatschappelijke stroming die vooral in het Amerika van Trump de wind in de zeilen heeft. Een en ander dwingt tot positie kiezen om niet te vervallen in machteloosheid en apathie. Individuele levensgeschiedenissen uit een nabij verleden, zoals die van Lilian Posthumus-Van der Goot stemmen in dat verband tot inspiratie en tot nadenken. Wiersma’s biografie levert daarvoor nuttige bouwstenen aan.
[1] A. Linders, ‘Frappez, frappez toujours!’ N.S. Corry Tendeloo (1989-1956) en het feminisme in haar tijd en W.H. Weenink, Vrouw achter de troon. Marie Anne Tellegen, 1893-1976.
[2] J. Withuis, Opoffering en heroïek. De mentale wereld van een communistische vrouwenorganisatie in naoorlogs Nederland, 1946-1976.
Dr. W.H. Posthumus-van der Goot (1897-1898). Hartstochtelijk, partijloos, feministe
Antia Wiersma
Uitgeverij Verloren
ISBN 9789464551846
Verschenen in 2025
Bestelinformatie
Bestel als paperback bij bol.com (€ 35,00)










