Kunstverzamelaar Bert Flint (1931-2022). Van Winschoten naar Marrakesh

De Marokkaanse steden Casablanca, Marrakesh, Tanger en Fez trekken nog steeds hordes toeristen, die soms komen om met eigen ogen de locaties van hun Europese of Amerikaanse idolen te zien: Paul Bowles, William Burroughs, Humphrey Bogart. Of er Nederlanders zijn die de dichter Jan Hanlo achterna reizen met de biografie van Hans Renders in de hand weet ik niet, maar zeker is dat mensen naar Marrakesh trekken om het museum van voormalig Winschotenaar Bert Flint te bezoeken. Deze kunstverzamelaar overleed in 2022, 91 jaar oud, en heeft nu zijn zeer beknopte biografie, getiteld Een vreemdeling in de medina, geschreven door journalist Lejo Siepe.

Boerenkunst

Flint voorzag aanvankelijk vanaf 1957 in zijn onderhoud in Marrakesh als docent Spaans en Engels aan een gymnasium, later ook als docent visuele antropologie aan de Casablanca Art School. Hij ontpopte zich als verzamelaar van ambachtelijke Amazigh-kunst, van wat hij noemde “boerenkunst” uit Marokko en de Sahellanden: sieraden, houtsnijwerk, tapijten, meubels, deuren en andere voorwerpen, gemaakt door gewone mannen én vrouwen. Die belangstelling deelde hij met de internationale Cobra-groep en moderne kunstenaars in andere Arabische landen, zoals Irak, waar studenten bij de ‘moerasarabieren’ gingen kijken. Nooit rijk verkocht hij in de loop der tijd delen van zijn collectie aan particulieren en musea, of leende het uit aan onder meer het Guggenheim in New York. Nadat men de waarde ervan was gaan inzien, mocht ook de boerenkunst niet meer het land uit. Flint werd een bekendheid, een “grootheid” zelfs in Marokko.

Anti-berber

Volgens bronnen van Siepe is “zestig procent” van de Marokkaanse bevolking Amazigh oftewel Berber, dus niet Arabisch. De Marokkaanse cultuur en kunst kan bovendien alleen goed begrepen worden, vond Flint, als je verband legt met de materiële en spirituele cultuur van de Afrikaanse bevolking in de Sahellanden ten zuiden van Marokko, zoals Mali en Niger. Die visie werd hem niet door alle Marokkanen in dank afgenomen, aangezien de nationalistische mythe lang luidde dat de bevolking vooral bestaat uit nazaten van de Arabische veroveraars uit het Midden-Oosten en uit Spanje verdreven Arabische Moren. De koning zou zelfs een nazaat zijn van de profeet Mohammed. Tegenwoordig wordt in Marokko de taal van de Berbers erkend, zelfs op verkeersborden, en wordt ook de geschiedenis van hun koninkrijken in de Maghreb onderzocht, maar in de eerste veertig jaar van Flints bestaan in Marokko moeten zijn moeizame contacten met universitaire bureaucraten en ministeries waarschijnlijk ook geweten worden aan hun anti-berber houding – even afgezien van de corruptie die Siepe niet bespreekt, angst voor politieke straf in het tijdperk van koning Hassan II of weerzin tegen buitenlandse betweters. Hoe dan ook, het is best knap dat Flint door dit mijnenveld heeft weten te laveren.

Pronkstuk in het Marrakesh Tiskiwin Museum © Werner110359 (CC BY 4.0)

Tiskiwin

In 1976 kocht Flint in het stadscentrum van Marrakesh (de ‘medina’) een riad, een traditionele stadswoning in Andalusische stijl uit begin twintigste eeuw, dat zijn museum zou gaan huisvesten. Hij woonde er ook en zou het pand in 1990 volledig openstellen voor publiek. Hij gaf het museum de naam Tiskiwin, een verwijzing naar een (inmiddels uitstervende) dans uit de Hoge Atlas-regio, waarbij de mannen vaak gedecoreerde hoorns van de berggeit bij zich dragen. Het verband tussen de dans en de naam met het museum blijft verder duister.

Seksuele vrijheid

Zoals bekend boden Marokkaanse steden ook meer vrijheid aan homoseksuelen – meer dan men in Winschoten gewend was. Er waren plekken waar ze elkaar ongestoord konden opzoeken, samen blowden en dronken werden. Dat twee mannen op straat hand in hand konden lopen, was niet bijzonder in de Arabische wereld, maar wel bijzonder voor Marokko was dat homoseksualiteit bij wet verboden was maar dat het verbod niet werd gehandhaafd. Overigens is dat nog steeds de situatie: pesterijen en wreedheden worden aan brave huisvaders en andere gewone ‘echte mannen’ overgelaten, als je bijvoorbeeld de romans van Abdellah Taïa mag geloven, zoals zijn recente Bastion des larmes.

Flint zocht die seksuele vrijheid ook. In de biografie ontbreken echter de namen van zijn eventuele grootse minnaars in Marrakesh en de biograaf weet blijkbaar niets van de seksuele geaardheid van zijn trouwe Nederlandse vrienden in Marokko. Ook in interviews met Flint en beeldmateriaal van documentaires over hem voor Nederlandse media, ontbreekt blijkbaar over de Nederlandse tak elke indicatie. De jonge Flint schreef in zijn dagboeknotities in omfloerste termen over zijn broer Wim, ook een homo, die zich niets aantrok van de geldende mores. Broer Wim “nam na een reis naar Italië een nieuwe gevoeligheid met zich mee naar huis” en toonde “tekenen van genegenheid die openlijker dan normaal werden uitgedrukt”. Flint keerde in de jaren 60 enkele keren terug naar zijn ouderlijk huis “met in zijn kielzog Noord-Afrikanen die in lange kleurrijke gewaden door Winschoten liepen”, aldus zijn vriend Rein Hubel. Laten merken dat je anders bent ja, uit de kast komen nee.

Weelderig huis

Flints motieven om zich in Marokko te vestigen worden summier uit de doeken gedaan. Op reis in Spanje had hij het Alhambra gezien en in 1955 ontdekte hij de Andalusische visuele cultuur opnieuw tijdens een bezoek aan de Marokkaanse havenstad Tétouan, waar hij een “prachtig weelderig huis” zag met een “verpletterende” architectuur. Siepe schrijft dat hij “de effecten van een beschaving voelde”, in Flints eigen woorden “gemaakt van zowel fysieke sensualiteit als spirituele verfijning”. “Vanaf dat moment” begreep Flint, opgevoed op katholieke kostscholen, “de bronnen van de erotische taal van de Spaanse mystiek, vooral in figuren als… de mystica Teresa de Avila”. “In dat huis dat ik bezocht, zat zoveel pracht en praal, zoveel finesse en raffinement, dat ik niet terug wilde naar Nederland…”. Wat geholpen zal hebben om te blijven, is dat Flint een talent voor het aanknopen van vriendschappen had, ondanks zijn “narcisme” dat zijn omgeving meende te bespeuren, en dat hij kennis maakte met welgestelde Marokkanen die hem wilde helpen.

Op zijn beurt hielp hij de kunstacademie in Casablanca zich van zijn stoffige Franse koloniale korset te bevrijden en Marokko als land van moderne kunst “op de kaart te zetten”. En hij kon meteen wraak nemen op de onbevredigende studie kunstgeschiedenis die hij in Utrecht vier jaar volgde, dacht ik. Het is weer zo’n hoofdstuk dat Siepe waarschijnlijk veel spannender had kunnen maken, maar tegen de tijd dat de lezer er is aanbeland, weet je al dat schrijven over kunst niet Siepes fort is, ook niet over moderne kunst. Dat irriteert , omdat je weinig leert over de boerenkunst van de Amazigh, terwijl dit dus de grote passie was van Flint en hij er nota bene een vuistdik standaardwerk over heeft geschreven, La Culture afro berbère de tradition néolithique en Afrique du Nord et dans le pays du Sahel. Een biograaf zou bij gebrek aan eigen deskundigheid of affiniteit toch best een hoofdstuk door een andere enthousiaste expert kunnen laten schrijven?

Een vreemdeling in de medina. Een portret van Oost-Groninger kunstverzamelaar Bert Flint
Lejo Siepe
Uitgeverij Bulaaq/Jurgen Maas
ISBN paperback 9789493397262
Verschenen februari 2026

Bestelinformatie

Bestel als paperback bij bol.com (€ 20,00)

Anneke van Ammelrooy
Anneke van Ammelrooy
Anneke van Ammelrooy (1955) is journalist en vertaalster. Ze schreef onder andere Alles is er niet, een persoonlijk verslag van haar eerste jaar in Irak. Ze was hoofdredactrice van het Leids universiteitsweekblad Mare, Publiek Domein, Keesings Historisch Archief en OR-informatie. Voor de Volkskrant schreef ze over cultuur en politiek. Bij het ANP was ze redacteur Arabische landen. Ze werkt aan een boek over de toekomst van politieke partijen (2003-2010).

Fijn als je dit artikel met anderen deelt:

Lees ook...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in