Wie de biografie Onveranderlijk zichzelf over schrijver Arthur van Schendel (1874-1946) gaat lezen, doet er goed aan te beginnen bij het nawoord. Daarin schrijft biograaf Rob Groenewegen precies wat de twee problemen zijn met zijn boek. Hij stelt de retorische vraag: “Hoe iemand op papier tot leven te brengen die weinig tot niets over zichzelf prijsgaf?” Desondanks koos hij bewust voor de focus op het léven van Van Schendel en niet op diens werk, want hij stelt ook: “Over zijn werk is na 1946 te uitputtend geschreven.” Té uitputtend? Dat klinkt alsof de biograaf zelf oververmoeid is geraakt van zijn project. Dan is het voor de lezer lastig om wél enthousiast te worden over zijn ‘niet geringe opgave’.
Romancier
Rob Groenewegen noemt Arthur van Schendel ‘een van de grootste romanciers uit ons literaire verleden’. Veel scholieren hebben de klassieke korte romans van Van Schendel gelezen voor hun lijst. De biograaf geeft beknopt de achtergronden bij de toppers Een zwerver verliefd (1904, twintig drukken), De wereld een dansfeest (1938)en Het fregatschip Johanna Maria (1930, 34 drukken). Over deze romans lees je wat over de ontstaansgeschiedenis en de receptie, van andere publicaties krijg je soms amper meer dan de titels. En dat waren er veel, want ‘elke dag moet er geschreven worden’. Van Schendel zat monomaan urenlang te werken, ook op het strand van het Italiaanse Sestri Levante waar hij lang woonde. Schrijvende collega’s vertellen dat hij zich vaak terugtrok uit een gezelschap, de schuifdeuren sloot en zijn potlood pakte. De biograaf schrijft zelfs dat Van Schendels werkkracht ten koste lijkt te zijn gegaan van zijn gezondheid in zijn laatste jaren. Als hij een onderscheiding of prijs kreeg, vond hij dat ongemakkelijk en kwam liever niet.
De biograaf positioneert de auteur helder in de literatuur en de maatschappij van het interbellum. Alle hoofdrolspelers in de Nederlandse literatuur en cultuur in de eerste helft van de twintigste eeuw komen in het boek voor. Van Schendel was nauw betrokken bij tijdgenoten als Willem Witsen, Willem Kloos en Jan Toorop. Zijn eerste vrouw financierde deels Frederik van Eedens idealistische Walden-project. Later was Van Schendel bevriend met Jan Greshoff, Jan van Nijlen en Eddy Du Perron. Menno ter Braak noemde Van Schendel ooit de troonopvolger van Louis Couperus, maar in de biografie las ik geen reflectie op deze eretitel. Is Groenewegen het met Ter Braak eens? Wat vond Van Schendel zelf van Couperus’ oeuvre? Veel alinea’s eindigen met variaties op de zin: “Hierover tasten we in het duister.”

Reislust
Het tempo ligt hoog in de biografie. Groenewegen reconstrueert, van maand tot maand en soms van dag tot dag, Van Schendels leven. In zijn zeer armoedige jeugd, getekend door affectieve verwaarlozing, verhuisde hij vaak en ieder adres heeft Groenewegen genoteerd. Een opleiding aan de theaterschool, die door sympathisanten werd betaald, brak Van Schendel af en hij haalde de MO-acte Engels. Zo werd hij enige tijd leraar in Engeland. Later, toen hij succes had met zijn romans en dankzij de erfenis van zijn eerste vrouw voldoende geld had om een huis te kopen, bleef hij een zwerver. Hij reisde veel in Europa, soms met vrienden, maar ook wel alleen. Vanwege de precaire gezondheid van zijn tweede vrouw Annie de Boers verbleef hij vaak in Italië en hij kwam ook graag in Brussel. Toch bleef ook Nederland trekken. Zijn persoonlijke leven was rijk aan drama’s, zoals een overhaast huwelijk met de rijke Bertha Zimmerman, die een onecht kind had van een getrouwde man en vlak na de bevalling in het geheim met Van Schendel trouwde. De vroege dood van zijn Bertha en later van hun dochtertje Suzanna maakte Van Schendel panisch voor ziekteverschijnselen en toch hertrouwde hij met een ziekelijke vrouw. In zijn laatste jaren was hij bang dement te worden. Ondanks al die gebeurtenissen bleef hij stoïcijns doorschrijven: romans, artikelen, reisverhalen, een biografie van Paul Verlaine en sprookjes. Wat Van Schendel dreef tot deze grote productie, afgezien van inkomsten, werd mij niet helemaal duidelijk uit Onveranderlijk zichzelf.
Nét geen stapelbiografie
De biografie bevat treffende observaties over Van Schendels leven. Zo las Bertha de boeken waar Van Schendel geen tijd voor had en vertelde tijdens de zondagse wandeling met de kinderen over haar lectuur: “Dit is een heel goed systeem […]; je krijgt dan natuurlijk alleen den inhoud van een boek, in den stijl van je vrouw.” Maar mede door de afstandelijke schrijfstijl van Groenewegen was dit boek toch bijna een ‘stapelbiografie’ geworden. Marita Matthijssen muntte deze term voor teleurstellende biografieën die je niet uit krijgt en die op de stapel belanden. In de laatste hoofdstukken werd ik echter wél gegrepen door de belevenissen van Van Schendel en zijn gezin in de oorlogsjaren. Misschien door de levendige getuigenissen van dochter Kennie? In een brief aan haar broer Sjeu reflecteert ze op het gedrag van haar vader en op diens manuscripten met jeugdherinneringen:
“Opvallend dat zijn leven in en met de verbeelding hem zoo’n harnas heeft gegeven tegen alle beroerde dingen die een kindertijd anders toch heelemaal verbitterd en kapot hadden kunnen maken?”
Groenewegen geeft geen commentaar op deze zin, maar laat met de keuze van dit, wat mij betreft cruciale, citaat toch iets van zijn visie op Van Schendel zien. Dat had hij van mij veel vaker en ook explicieter mogen doen.
Geen rode draad
Groenewegen schrijft in zijn nawoord: “Alles bijeengenomen denk ik toch dat deze biografie een goed beeld geeft van Van Schendels leven, van iemand die zich niet kon voorstellen dat men daarin enig belang zou kunnen stellen.” Is dit bescheidenheid of is het een verzuchting van een uitgeputte biograaf? Kon hij zelf wel genoeg belang blijven stellen in het leven van Van Schendel? Moet je een biografie willen schrijven als je de omstandigheden zo lastig vindt? Als je het, in mijn ogen ruime bronmateriaal als ‘gebrekkig’ kwalificeert, maar toch zegt dat je ‘veel onbekend feitenmateriaal’ boven water kreeg? Kester Freriks, die met een biografie van Van Schendel begonnen was, gaf het in 2010 op. Wat zit er toch in de persoon Arthur van Schendel dat hij zo ongrijpbaar was en toch zo ‘onveranderlijk zichzelf’? Daar moet de lezer zélf een hypothese over formuleren, want Groenewegen wil niet psychologiseren. Hij koos bewust voor ‘show don’t tell’: “Ik heb gekozen me alleen te baseren op feiten, niet op aannames die als feiten gepresenteerd worden.”
Tja, wat blijft er over als je een biografie schrijft over een auteur en niet het werk wil analyseren en ook geen psychologische duiding van het leven wil geven? Een kroniek, een verzameling anekdotes en veel vragen. Die vragen stelt Groenewegen gelukkig zelf, bijvoorbeeld over Van Schendels afschuwelijke jeugdjaren. Waar kwam de verafgoding van Kloos vandaan? Had Van Schendel voor zichzelf geen extra verantwoording nodig om in het fascistische Italië te wonen? Zou Van Schendel zijn verleden niet kunnen hebben aangepast aan latere persoonlijke opvattingen. De biograaf stelt zelfs tientallen uitstekende vragen zoals bovenstaande, maar helaas zijn de antwoorden schaars: “een punt als dit komt nergens ter sprake in Van Schendels – bewaard gebleven – brieven.”
Ondanks al die vragen in de tekst schrijft Groenewegen: “Ik ben geen biograaf die op voorhand hoofd- en deelvragen formuleert. Het gevaar ligt dan op de loer dat die een leidend beginsel gaan vormen van het onderzoek, waardoor veel onbesproken of in de marge blijft.” Ik vind het jammer dat hij deze biografische keuzes heeft gemaakt, want een paar heldere hoofdvragen helpen de lezer en eerlijk gezegd is er nu ook nog veel ‘onbesproken’ gebleven. Van Schendels onafscheidelijke rode (anarchistische) dasje, dat hij draagt op Witsens portret op het omslag, had een fraaie rode draad in het verhaal kunnen zijn. Helaas, deze biograaf liet mij verdwaald achter in het leven van Van Schendel.
Onveranderlijk zichzelf. Het leven van Arthur van Schendel (1874-1946)
Rob Groenewegen
Walburg Pers
ISBN hardcover 9789464566505
Verschenen in december 2025
Bestelinformatie
Bestel als hardcover bij bol.com (€ 27,50)









