Paulina van der Meer (1768-1861). Geld maakt heel gelukkig

Mocht dan eindelijk de geschiedenis van Suriname meer dan terloops onderwezen worden op onze middelbare scholen, dan is het wellicht tijd voor een verrassing die wat leven in de brouwerij brengt  van de vaak platgeslagen discussies rond slavernij en financiële compensatie. Want wat blijkt uit de pas verschenen biografie van  Paulina van der Meer (1768-1861)? Dat het merendeel van de vrije bevolking in Paramaribo zwart was en en een eigen middenklasse had gevormd, voordat de Nederland regering zo goed en verstandig was om in 1863 de slavernij in de kolonie te verbieden.

Huh?

In De schat van de vrijheid heeft juriste Ellen Neslo het onderwerp van haar promotie – de opkomst van een gekleurde middenklasse in Suriname – herschreven in de vorm van een toegankelijke biografie van één vrouw die op een plantage als huisslavin haar leven begon en als vrije vrouw eindigde, met eigen slaven in haar bezit. Over die laatste maar meteen even dit: Neslo weet niets zeker maar deze slaven werden waarschijnlijk door Paulina goed behandeld, ze werden behoorlijk oud na een werkzaam leven buiten de koffie- en suikerrietplantages, meestal als ambachtslieden die een deel van hun inkomsten moesten afstaan en die waarschijnlijk zoals andere slaven mochten sparen om zichzelf vrij te kopen (waar dat spaargeld dan veilig bewaard werd, krijgen we helaas niet te lezen).

Klaas

Paulina werd van een plantage-eigenaar vrijgekocht door haar toekomstige echtgenoot, een Nederlandse timmerman, Klaas van der Meer uit Hellevoetsluis. In een kolonie waar Europese vrouwen uitermate schaars waren, lagen affaires met al of niet “welgemaakte” huisslavinnen voor de hand. Mannen als Klaas konden er kennis mee maken tijdens copieuze maaltijden bij bevriende plantage-eigenaren. Maar trouwen met en tussen onvrije mensen mocht wettelijk niet. Neslo heeft bij gebrek aan brieven of dagboeken – Paulina was analfabeet – niet kunnen achterhalen hoe de liefde tussen het echtpaar eruit zag. Was die pragmatisch? Had hij een kinderwens? Snakte zij naar het verlaten van de plantage? Waren ze een beetje verliefd?

Terwijl andere slavinnen weigerden zwanger te worden en kinderen voor de eigenaar te baren (om redenen die zo intens worden verwoord in Toni Morrisons roman Beloved), werd Paulina al twee keer moeder van Klaas’ kinderen voordat ze konden trouwen: in 1798 van dochtertje Clasina en in 1802 van Johannes. Klaas moest dus de moeder en de kinderen vrijkopen – voor een bedrag van “enkele jaarsalarissen”. Dat heette toen “de schat van de vrijheid”. Het lijkt erop dat hij hiervoor een hypotheek nam, hoewel hij geen plannen had voor een nieuw huis naast de woning die hij al in Paramaribo bezat.

Een quadroon van Suriname. Tekening van Johan Gabriel Stedman (1744-1797) (public domain)

Well documented

Het vrijkopen moest bij de overheid “pijnlijk” nauwkeurig geregistreerd worden, tegen een administratieve fee van vijftig tot honderd gulden. Namen van vrijgekochten werden in de kranten gepubliceerd. De koper moest beloven dat de zijnen nooit tot last van de overheid kwamen en er moest een fikse borg betaald worden. De voormalige slaaf of slavin kreeg een bewijs mee dat je blijkbaar tot je dood  moest kunnen tonen, naar ik aanneem bijvoorbeeld in roerige tijden als er wel eens een avondklok voor gekleurde mensen werd ingesteld en je als kleurling toch naar buiten moest. Roerige tijden lijken een vaster onderdeel van de Surinaamse geschiedenis dan beeldvorming over machteloze slachtoffers suggereert:  lang voordat Haïti zich van de kolonisten bevrijdde onder de bezielende leiding van Toussaint L’Ouverture en een voorbeeldige zwarte republiek werd, waren er in Suriname tussen 1749 en 1759 wel zo’n twintig slavenopstanden. Daarin speelden “zoutwaternegers” een rol, tot slaaf gemaakten die net uit Afrika waren gekomen, dus geen afstammelingen van eerdere generaties ongelukkigen. Het waren Afrikanen die nog vrijheid en eigen bestuur hadden gekend. Neslo verdedigt Paulina’s latere bezit van eigen slaven met het argument dat zij nooit wat anders dan een slavenmaatschappij had gekend, maar dat gold dus niet voor deze categorie. 

Kostgrondjes

Paulina’s moeder, die waarschijnlijk ook een relatie met een Nederlander had gehad, was al overleden, anders had Klaas haar ook als oude vrouw voor een zacht prijsje kunnen vrijkopen  om de familie bij elkaar te houden. Onder de Nederlandse wetgeving mochten kinderen niet van hun moeder gescheiden en verkocht worden (wel toentertijd in de Verenigde Staten). Dat klinkt sympathiek maar tot hoe lang was je kind? Paulina werd toen ze twaalf was, gebrandmerkt, want dan werd je als volwassen beschouwd.

Overigens komen er behalve die bescherming van moeder en kind wel meer praktijken langs die de slavernij een iets menselijker gezicht geven. Op de plantages werden eigenaren geacht voor voedsel, medische hulp en onderdak te zorgen – stenen huisjes waren normaal, een hospitaaltje ook. Het was gebruikelijk om de slaven een ‘kostgrondje’, dat wil zeggen een flinke moestuin te geven, om hun eigen voedsel te verbouwen. Surplus ging onder meer naar Paramaribo. Als Nederlanders hun slaven mee naar het vaderland hadden genomen en daar langer dan zes maanden verbleven, gold al sinds 1776 dat deze mensen bij terugkeer in Suriname vrij waren – niet onlogisch want slavernij was in Holland verboden. En als je je recht niet kreeg, kon je naar de rechter stappen.

Pokkenepidemie

In de loop der tijd werden de kosten die men voor het vrijkopen aan de overheid moest betalen, zoals leges en borg, flink lager wat tot een “enorme” groei van vrijgekochte slaven leidde. Het hele boek door ontbreken echter schattingen van de aantallen slaven die er in diverse tijdperken op de suiker-, katoen- en koffieplantages in Suriname werkten of die vanuit Afrika waren aangesleept. Nogal  merkwaardig want zo komen al die vrijgekochten in Paramaribo niet in perspectief te staan. Ontnuchterend is dan het cijfer van rond de vijftienduizend slaven die tijdens een pokkenepidemie het leven lieten .

Slaven zonder eigenaar

Niet genereus ging het eraan toe bij schepen met nog onverkochte slaven die onderschept waren vanwege het Britse verbod op overzeese slavenhandel en in de hoofdstad terechtkwamen. Die waren juridisch gezien dus nog vrij maar sommigen moesten tot wel dertien jaar op hun certificaat van vrijheid wachten. Uit het vorig jaar verschenen boek van Jake Subryan Richards, The Bonds of Freedom: Liberated Africans and the End of the Slave Trade, blijkt dat dit internationaal meestal de praktijk was: “Wherever liberated Africans were settled, imperial authorities treated them as repaying the ‘debt’ of being rescued through compulsory labor in situations of onerous, even carceral, oversight.”

Slaven zonder eigenaar werden onderscheiden met de term piki-nyan; de overheid beschouwde hen als ‘illegale’ vrije slaven maar deed er blijkbaar verder niets tegen. Slaveneigenaren vertrokken soms met de noorderzon, bijvoorbeeld na de rampzalige grote brand in Paramaribo in 1821 toen kolonisten ook hun pakhuizen verloren en geruïneerd de wijk naar Nederland namen.

Testament

Klaas is nooit naar Nederland teruggekeerd. Misschien was hij wel een soort politieke vluchteling. Neslo heeft een verdienstelijk hoofdstuk toegevoegd over de tijd rond 1800 toen patriotten en oranjegezinden ook in Hellevoetsluis met elkaar slaags raakten in wat je een burgeroorlog zou kunnen noemen. De man van Paulina overleed in 1816, 52 jaar oud. Hij had een testament opgesteld dat hij enkele dagen voor zijn dood nog veranderde. Het huis en het grootste deel van de inboedel moest verkocht worden. Dit zal volgens Neslo wel 50.000 gulden hebben opgebracht, geld dat vervolgens werd uitgeleend tegen vermoedelijk zo’n acht procent rente. De hele erfenis ging weliswaar naar zijn kinderen en duizend gulden naar een zus in Hellevoetsluis die bij gebrek aan een nationaal bevolkingsregister toentertijd onvindbaar zal zijn geweest, maar Paulina zou jaarlijks het grootste deel van de rente krijgen. Die zat dus gebeiteld.

De overheid nam het blijkbaar niet zo nauw met de eis dat vrijgekochten zich moesten laten dopen. Waarom dat geen prioriteit had, vertelt de biografe niet. Hoe dan ook, Paulina deed het pas twintig jaar later na haar overdracht aan Klaas, en wat verplicht godsdienstonderwijs, in de Grote Stadskerk van de Evangelische Broedergemeente. Bijzonder: het ritueel vond plaats op een zondag, iets wat “ondenkbaar” was bij andere kerkgenootschappen, die voor kleurlingen de woensdag reserveerden.

Dynastie

Paulina stierf in 1861, twee jaar voor de afschaffing van de slavernij in Suriname . Neslo  houdt een beknopt verhaal over initiatieven van abolitionisten in het land. Wat dat precies voor volk was, lijkt mij nog wel voer voor een apart essay, in de lijn van Zadie Smiths essay Black England. (opgenomen in de bundel Dead and Alive), waarin ze wilde laten zien dat de afschaffing van de slavernij vele, niet altijd perfecte vaders en moeders heeft gehad

Neslo beschrijft aan het eind uitvoerig de hele Van der Meer dynastie, wat er gebeurde met Paulina’s kinderen en kleinkinderen en mensen in haar directe omgeving, zoals haar hartsvriendin Maintenon. Dat vond ik taaie kost door alle namen en details, maar het laat wel zien hoe het besluit van één individu verstrekkende, positieve gevolgen had voor tientallen nakomelingen. In 1901 werd de oma van de biografe geboren, Constantia Elizabeth Doortje van der Meer. En nu schrijft dus een kleindochter van Doortje een essentieel stuk Surinaamse geschiedenis. Ellen Neslo wilde eerst een roman schrijven over Paulina maar koos toch voor een biografie. Gelukkig maar, omdat het laat zien wat een historicus nog allemaal kan achterhalen.

De schat van de vrijheid – Het leven van de vrije Paulina van der Meer (1768-1861)
Ellen Neslo
Hollands Diep
ISBN 978904886539
ISBN 9789048865406 (e-book)
Verschenen najaar 2025

Bestelinformatie

Bestel als paperback bij bol.com (€ 22,99)
Bestel als ebook bij bol.com (€ 11,99)

Anneke van Ammelrooy
Anneke van Ammelrooy
Anneke van Ammelrooy (1955) is journalist en vertaalster. Ze schreef onder andere Alles is er niet, een persoonlijk verslag van haar eerste jaar in Irak. Ze was hoofdredactrice van het Leids universiteitsweekblad Mare, Publiek Domein, Keesings Historisch Archief en OR-informatie. Voor de Volkskrant schreef ze over cultuur en politiek. Bij het ANP was ze redacteur Arabische landen. Ze werkt aan een boek over de toekomst van politieke partijen (2003-2010).

Fijn als je dit artikel met anderen deelt:

Lees ook...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in