Maarten van der Goes van Dirxland, eerste minister van Buitenlandse zaken?

Maarten van der Goes van Dirxland

“De geschiedenis der Bataafsche Omwenteling heeft niets van het grootsche, dat die der Fransche onderscheidt,” sikkeneurde Colenbrander in de De Bataatsche Republiek (1908). Het enige prijzenswaardige van de omwenteling van 1795 was, aldus Colenbrander, dat die in 1813 de terugkeer van de Oranjes mogelijk heeft gemaakt. Tegenwoordig kijken we heel anders naar onze revolutie op eigen bodem. In menig opzicht kreeg het moderne Nederland zijn huidige gestalte in de periode 1795-1813. Unitaristen lagen in de clinch met federalisten, verschillende politieke scenario’s passeerden de revue, om uiteindelijk uit te monden in de constitutionele monarchie zoals we die tot op de dag van vandaag kennen. De architecten van dat moderne Nederland krijgen mondjesmaat ieder hun eigen biografie – in de vijf jaar van het bestaan van dit portaal noem ik alleen al die van Rutger Jan Schimmelpenninck, Gijsbert Karel van Hogendorp en Alexander Gogel. Onlangs is in dat pantheon van gebiografeerde erflaters Maarten van der Goes van Dirxland bijgeschreven. Oud-diplomaat Pim Waldeck promoveerde op “Nederlands eerste minister van Buitenlandse zaken”, Vantilt bracht het proefschrift in de handel – buitengewoon verzorgd, met mooie afbeeldingen in vierkleurendruk, zoals we van de uitgeverij gewend zijn.

Maarten van der Goes, een pragmatisch bestuurder

Waldeck schetst de loopbaan van een diplomaat die zich in de partijstrijd tussen de patriotten en orangisten op de vlakte hield en ook na 1795 niet overliep van de uitgesproken ideeën. Zijn blazoen was zo schoon dat hij in het kersverse Koninkrijk der Nederlanden moeiteloos het lidmaatschap van de Eerste Kamer kon aanvaarden. (Zoals zoveel ‘moderate’ Bataven overigens, er heerste een sfeer van ‘vergeven en vergeten’ onder Willem I, noodzakelijk voor de vestiging van het koninkrijk). Een vrij kleurloze figuur dus, die Van der Goes, maar volgens Waldeck wel de juiste man op de juiste plaats. “Het was niet de tijd voor grootse visies, hij bleef liever een pragmatisch bestuurder, zij het met een politiek programma,” zo maakt Waldeck de balans op. Een vreemde conclusie over een tijdsgewricht waarin lieden als Alexander Gogel, zoals Jan Postma onlangs in zijn biografie overtuigend heeft aangetoond, juist vanwege hun visionaire genialiteit als grondleggers van een moderne staat kunnen worden aangemerkt. Het buitenlandse beleid van Van der Goes was een kwestie van pappen en nathouden. Hij zocht naar erkenning en legitimering van de Bataafse Republiek bij de grote broeders op het Europese strijdtoneel en probeerde wanhopig haar neutraliteit te bewaren, want die waarborgde de voorspoed en welvaart van een handelsnatie als Nederland. Sinds de omwenteling van 1795 werd de hartslag van dat beleid echter gedicteerd door Frankrijk, dat zich steeds meer ontplooide tot een bezetter, om onder het keizerschap van Napoleon te verworden tot een regelrechte dwingeland. “Het is in Europa algemeen bekend, dat Italië en Holland evenzeer als Zwitserland ter beschikking staan van Frankrijk,” zo dacht Napoleon over de ‘zusterrepublieken’. Hun lot was afhankelijk van zijn welbevinden, “comme un satelitte l’est à sa planète”.

De haard moet wel blijven branden

Binnen die politieke constellatie was er voor een man als Van der Goes uiteindelijk weinig eer aan zijn ambt te behalen. “Van der Goes moest voortdurend het evenwicht zien te bewaren tussen wat de politiek wenste en wat in de betrekkingen met Frankrijk haalbaar was. Daarvoor was hij dagelijks bezig de grenzen van de macht en invloed van de Franse overheersers te verkennen om die schaarse momenten te vinden waarop hij een nuttige interventie in het belang van het land kon plegen,” aldus Waldeck. Dat is een vrij omslachtige en nogal diplomatieke omschrijving van de constatering dat Van der Goes weinig in de melk te brokkelen had. De beweegredenen van de man blijven schimmig. Wanneer hij na de Inlijving het lidmaatschap van Corps Législatif aanvaardt, de wassen neus van het Franse parlement onder Napoleon, merkt Waldeck in een eindnoot op dat “de haard wel moest blijven branden”. De conclusie dat Van der Goes zich eerder met staatsinstellingen dan met machthebbers verbonden voelde, is discutabel. Dat hij zijn zoon uit het tweede huwelijk met Constance Louise de Bosset in 1806 Lodewijk Napoleon noemt is een statement, waaraan Waldeck verder geen aandacht besteedt.

Mijn grootste bezwaar tegen deze biografie is echter dat Waldeck de contouren van het Europese strijdtoneel nauwelijks in de verf heeft gezet. Als de Bataafse Republiek daadwerkelijk een speelbal was van de buitenlandse mogendheden, wat was dan de toestand in de wereld buiten haar landsgrenzen? Hoe zat het ook alweer met al die bondgenootschappen en coalitieoorlogen? Welke Vijfde Engelse oorlog bedoelt Waldeck, als we er formeel maar vier hebben gehad? Die kapstok krijg je niet en dat kun je een lezer niet aandoen, zeker niet als dat gebrek aan mededeelzaamheid gepaard gaat met een stijl waarin een grondgebied consequent een territoire wordt genoemd, een geschil een rupture en een uitwisseling een marchandage. Je zou haast denken dat – hop Marjanneke, stroop in ‘t kanneke – die kale Fransen nog steeds in het land zijn.

Maarten van der Goes van Dirxland. Nederlands eerste minister van Buitenlandse Zaken
Pim Waldeck
Vantilt
ISBN 9789460043420
Verschenen in november 2017

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 29,50)

Koop bij bol.comBestel hier als hardcover bij bol.com (€ 29,50)

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here