Gerrit Paape (1752-1803), een achttiende-eeuwse broodschrijver met vele gezichten

De patriot Gerrit Paape was een veelschrijver: naast zijn werkzaamheden als plateelschilder, tekenaar, journalist, politicus en raadsheer, publiceerde hij tientallen gedichten, vertalingen, toneelstukken, essays, Bijbelse verhalen, en heel veel satirisch proza. Toch verwierf hij zich nooit een gerenommeerde plaats in de literatuurgeschiedenis, zoals bijvoorbeeld zijn tijdgenoten Betje Wolff en Aagje Deken dat wel deden. Waarom bleef hun werk in de twee eeuwen na hun dood springlevend, terwijl Paapes geschriften al snel werden vergeten? In de inleiding van zijn biografie stelt Altena dat dit komt omdat Paapes werk niet apolitiek gelezen kan worden en bovendien herinnert aan een woelige periode die men – zeker in de negentiende eeuw – zo snel mogelijk wilde vergeten. Zijn literatuur verscheen in de laatste twee decennia van de achttiende eeuw, waarin ruzies tussen patriotten en orangisten, de komst van de Fransen, en geschillen tussen patriotten onderling het land een paar keer op de rand van de afgrond hadden gebracht. Omdat de auteur ook nog eens van lage sociale komaf was en voor geld schreef, was hij voor het nageslacht de representant bij uitstek van deze ellendige periode, waarvan men maar al te graag afstand nam.

Rehabilitatie

Pas in de jaren ’60 van de twintigste eeuw werd de schrijver herontdekt en verschenen er nieuwe edities van verschillende van zijn werken. Voor deze rehabilitatie was niet in de laatste plaats de neerlandicus Peter Altena zelf verantwoordelijk. Al in 1990 schreef hij een eerste artikel over de auteur en in de jaren daarna bleef hij publiceren over Paape en diens literaire werken. Altena’s langdurige en grondige onderzoek resulteerde uiteindelijk in zijn magnum opus: een vuistdik proefschrift, uitgegeven bij Vantilt als handelseditie. In acht hoofdstukken beschrijft Altena de verschillende levens van de auteur én al zijn werken. Wat dat betreft is de titel Levens en werken treffend: elk hoofdstuk bevat een beschrijving van een periode uit Paapes leven – van zijn geboorte tot zijn dood – en van de werken die hij in de betreffende periode voortbracht. De overgang tussen de hoofdstukken wordt steeds gemarkeerd door een politieke verandering en gaat in veel gevallen ook gepaard met de verhuizing van Paape van de ene naar de andere stad. De auteur groeide op in Delft en schreef daar zijn eerste poëzie en patriottische propaganda (hoofdstuk 1 tot en met 3), verkeerde vanaf 1787 in ballingschap in achtereenvolgens Antwerpen, Brussel en Duinkerken (hoofdstuk 4), vestigde zich in 1794 als secretaris en spin doctor van generaal Daendels in Oostende en later in Den Bosch (hoofdstuk 5), kreeg na de Bataafse Revolutie in 1795 een bestuurlijke rol in Dordrecht als president van de Centrale Vergadering (hoofdstuk 6), maar toen de populariteit van de radicale patriotten – waartoe Paape behoorde – afnam, verhuisde hij naar Leeuwarden, waar de radicalen het wel voor het zeggen hadden en Paape de post van raad in het Hof van Justitie aanboden (hoofdstuk 7). Al snel ontstonden er echter conflicten tussen de leden van het Hof en het Provinciale Bestuur van Friesland, wat in mei 1797 alweer resulteerde in het ontslag van de raadsheren. Teleurgesteld keerde Paape terug naar Den Haag, waar hij voor zijn inkomen werd teruggeworpen op zijn schrijverschap (hoofdstuk 8). Maar toen in 1798 de radicalen een staatsgreep pleegden keerden zijn kansen op een ambt zich weer ten goede: na enig aandringen kreeg Paape een goedbetaalde functie bij het ‘Agentschap van Nationaale Opvoeding’. Tegelijkertijd werd het – na alle politieke omwentelingen – steeds moeilijker om kritiek uit te oefenen op het bewind: men wilde af van de stortvloed aan satire en polemiek die het land de laatste jaren had overspoeld, niet in de laatste plaats door de veelschrijver Paape. Omdat Paape zijn ambt niet op het spel wilde zetten kwam er een eind aan zijn openbare schrijverschap, vijf jaar voor zijn dood.

Pseudoniemen

Altena’s minutieuze analyse van zowel Paape’s levenswandel als diens literatuur levert interessante inzichten op in een achttiende-eeuwse schrijverscarrière. Ondanks zijn enorme schrijfwoede beschouwde Paape zichzelf namelijk pas op de tweede plaats als schrijver. Als auteur verwierf hij zich weliswaar de reputatie van een venijnige, bij sommigen geliefde satiricus, maar het aanzien van de broodschrijver was laag en het inkomen onzeker. Het liefst vervulde hij daarom een goedbetaalde positie met aanzien. Maar in de woelige revolutiejaren – waarin de bordjes voortdurend werden verhangen – wisselden steeds zijn kansen hierop. Bovendien zaten juist de politieke geschriften die hij afvuurde zijn maatschappelijke ambities in de weg, een reden waarom Paape vaak anoniem of onder pseudoniem publiceerde. Met dat gebruik van pseudoniemen sprong Paape buitengewoon creatief om: hij bedacht deze niet alleen zelf, maar roofde ook pseudoniemen die door anderen waren gebruikt. Eén van de bekendste en populairste satirische werken van Paape – Reize door het Aapenland – verscheen in 1788 onder de naam van dr. J.A. Schasz M.D. Die naam was tien jaar eerder bedacht door een andere patriotse schrijver: Pieter ’t Hoen. Paape nam deze naam over en publiceerde nog meer in de vermomming van Schasz, totdat hij in een advertentie ‘ ’s Mans nagelaaten Schriften’ aankondigde. Hij had Schasz dus laten overlijden!

Politiek en literatuur

De overtuigende toeschrijvingen van Schasz’ titels aan Paape vormen het mooie resultaat van tijdrovende literaire analyses. Na meer dan twintig jaar onderzoek is Altena als geen ander in staat om aan te tonen waarom teksten die in het verleden aan Paape werden toegeschreven wel of niet door hem zijn geschreven. Maar hoewel het onderzoek dus enkele mooie inzichten oplevert over Paapes loopbaan, is het precies ook Altena’s streven naar volledigheid dat dieperliggende interpretaties in de weg zit. Paape reisde zijn ambities achterna en stond liever bekend als politicus dan als schrijver, zoveel wordt wel duidelijk. Maar wat komen we met al die informatie nu meer te weten over enerzijds de politieke geschiedenis en anderzijds de literatuurgeschiedenis? De biograaf spreekt zich hier niet duidelijk over uit en houdt zich het liefst bij de feiten. De beschrijvingen van de politieke gebeurtenissen geven veel informatie, maar Paape komt er vaak bladzijden lang niet in voor. En zijn literatuur reflecteert op allerlei manieren op de contemporaine politiek, maar de impact ervan lijkt de hele tijd teleurstellend gering. Lijkt, want Altena spreekt zich hierover nooit echt uit. Het gemis aan een duidelijk verband tussen ‘werken’ en ‘levens’ komt het duidelijkst naar voren in de relatie tussen hoofdstuk 2 en de rest van de biografie. In hoofdstuk 2 beschrijft Altena hoe Paape lid werd van het literaire genootschap ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’. Vanaf hoofdstuk 3 gaat het echter verder over zijn politieke loopbaan en wordt nergens meer expliciet terugverwezen naar dit tweede hoofdstuk. Hoe is die politieke loopbaan nu precies te danken aan dat literaire genootschap? Eén doelstelling – een beschrijving geven van de ‘gehele Paape, van begin tot eind, in zoveel mogelijk aspecten, in het raam van zijn tijd’ – lost Altena met deze biografie dus zeker in. Het is moeilijk voorstelbaar dat er in de komende decennia een onderzoeker van achttiende-eeuwse satirische teksten om deze biografie heen kan. Aan die andere doelstelling –een ‘kritische interpreterende biografie’ bieden – wordt helaas niet voldaan. Het boek biedt geen nieuwe inzichten in de periode waarin Paape leefde, wel in de (on)mogelijkheden die een schrijver van lage sociale komaf in zijn tijd had.

Gerrit Paape (1752-1803). Leven en werken
Peter Altena
Uitgeverij Vantilt

ISBN 9789460040641

Verschenen juni 2012

Bestelinformatie

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 39,95)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here