Introductie op Gandhi

Van Mahatma Gandhi hebben de meeste Nederlanders een eenvoudig beeld: een Indiase man met een ronde bril, gekleed in een witte sjaal, die op een geweldloze manier India wilde losmaken van de Britse overheersing. Elisabeth Bax laat in haar boek Gandhi. Activist en spiritueel leider zien wat de drijfveren waren van deze inspirerende advocaat.

Mohandas Karamchand Gandhi werd op in 1869 geboren in de deelstaat Gujarat in West-India. Hij kreeg een goede opleiding in een gegoed milieu, in de derde kaste, de handelskaste ‘vaishya’s’. Op 13-jarige leeftijd trouwde hij met Kasturbai, een gearrangeerd huwelijk. De biografe besteedt veel aandacht aan Gandhi’s dieet, vooral zijn volstrekte afkeer van het eten van vlees en de gewoonte om te vasten. In 1888 vertrok Gandhi (zonder zijn vrouw) voor een studie rechten naar Londen, waar hij zich aansloot bij de ‘Vegetarian Society’. Hij verdiepte zich in religieuze geschriften, zowel in de theosofie, de Bhagavad Gita als de bijbel.

Zuid-Afrika

In 1893 vestigden Gandhi, Kasturbai en hun twee zoontjes zich in Durban, in het Zuid-Afrikaanse territorium Natal. Vrijwel direct na aankomst werd Gandhi geconfronteerd met vernederende discriminatie van mensen van kleur, bijvoorbeeld bij de spoorwegen. Hij ontwikkelde zich als jurist met een voorkeur voor ‘schikkingen’. Hij probeerde te gaan zoeken naar oplossingen die goed waren voor beide partijen. Over deze eerste periode schreef hij in zijn autobiografie:

Ik had de ware praktijk van het recht geleerd. Ik had geleerd om de betere kant van de menselijke natuur te ontdekken en de harten van mensen binnen te dringen. Ik realiseerde me dat de werkelijke functie van een advocaat was om partijen, die fel tegenover elkaar stonden, te verenigen. Deze les had zo’n onuitwisbare indruk gemaakt dat een groot deel van mijn twintig jaar durende advocatenpraktijk bestond uit het tot stand brengen van privé-compromissen van honderden zaken. Ik verloor daardoor niets, zelfs geen geld, zeker niet mijn ziel.

Bij de uitbraak van de tweede Boerenoorlog, in 1899, richtte hij een ambulancegroep van Indiase brandcarddragers op, die, vooral zwarte, gewonden ophaalden uit het front.  Geïnspireerd door het boek Unto this last van Johan Ruskin stichtte hij in 1904 een commune, de Phoenix Settlement vlak bij Durban. Indiase en Europese idealisten wilden daar samen een eenvoudig en gezond leven leiden. Gandhi woonde er met zijn gezin en gaf zelf les aan het eigen schooltje. Vanuit Phoenix werd de krant Indian Opinion uitgeven, waarin Gandhi onder meer schreef over discriminatie. Hij moet zeer druk bezet zijn geweest. Hij deed betaald werk als jurist in Johannesburg en Durban. Als politicus zette hij zich pro bono in voor de rechten van de Indiërs. En hij probeerde alle groepen Indiërs tot een eenheid te smeden, van hindoes en tamils tot moslims en parsi’s.  Rond 1906 besloot hij zeer gedisciplineerd en celibatair te gaan leven (brahmacharya). Zonder de ‘ballast’ van begeerte zou hij zich beter kunnen wijden aan publieke taken.  In 1910 startte hij met een Europese vriend een nieuwe commune, Tolstoj Farm, vernoemd naar de Russische auteur van The Kingdom of God is Within You.

De grote mars in 1913

Satyagraha

Een grote politieke gebeurtenis inspireerde Gandhi tot het formuleren van de Satyagraha. De Britse overheid wilde de ‘Black Act’ in Transvaal invoeren, een racistische wet die zeer ingrijpend was voor Indiërs en Chinezen Zij moesten zich allemaal laten registreren en een vingerafdruk afgeven. In een bijeenkomst in Johannesburg besloten de aanwezigen zich – ongeacht de consequenties – te verzetten tegen deze wet en zich niet te registeren. Deze ‘beweging van geweldloosheid’ of Satyagraha is in het westen vooral bekend geworden als burgerlijke ongehoorzaamheid, maar houdt volgens biografe Bax meer in. Het was een manier van leven. Gandhi vond het een heel actieve beweging omdat een geweldige inspanning vergt om zonder geweld te handelen en om lijdzaam ontberingen door deze keuze te ondergaan.

Gandhi in 1931. Foto: Elliott & Fry (Public domain)

Wel 95 procent van de Indiërs boycotten de registratieplicht en dat was een succes, want er was geen ruimte in de gevangenissen voor al deze weigeraars. Een hoogtepunt in deze periode van Satyagraha was ‘De grote mars’ in oktober 1913, naar aanleiding van een nog racistischer wet, de Immigration Bill. Zonder geldige ‘permits’ liep een ‘vredesleger’ van duizenden kleurlingen over de grenzen, waarvoor zij werden opgepakt. Gandhi werd veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, waarna contractarbeiders in de suikerriet en mijnarbeiders gingen staken. Er was geen plek voor hen in de gevangenissen en na dreiging van Gandhi met een nieuwe mars paste de regering in mei 1914 de wet aan.  

Macht in India

In 1915 keerde Gandhi terug naar India met zijn ‘familie’ uit de Phoenix Settlement. Hij stichtte een nieuwe ashram, de Satyagraha Ashram bij de West-Indiase stad Ahmedabad, de hoofdstad van Gujarat. Later kwam daar de Sabarmati Ashram bij. Hij werkte zijn ideeën verder uit in een levensfilosofie, waarin hij ook het ‘dragen van eigen handgesponnen en handgeweven kleding’ (khadi) opnam. Hij wilde als buffer tegen de armoede in India handmatige spinnerijen en weverijen opzetten. Deze zelfredzaamheid zou de export van Indiaas ruw katoen naar Engeland en de import van het eindproduct voorkomen. Gandhi probeerde zelf een uur per dag te spinnen. Door les te geven in de moedertaal en niet in het Engels zouden de bewoners zich meer richten op de eigen cultuur. Ook promootte Gandhi het gelijkwaardig samenleven met de ‘onaanraakbaren’, de laagste kaste in India, nu Dalits genoemd.

Als politicus zette hij zich binnen de hindoeïstische Congrespartij in voor de Indiërs. Hij stond onder andere de uitgebuite arbeiders op de indigo-plantages bij. Hij maakte een rapport van alle missstanden op grond van verklaringen van meer dan duizend boeren. Zijn interventies en bemiddelingen hadden vaak succes. Gandhi’s inzet voor ‘village uplifting’ kreeg navolging. Door deze en andere inspanningen ontwaakte het politieke bewustzijn bij de boeren. 

De zogenaamde ‘Rowlatts Bills’, gericht tegen de nationalistische vrijheidsbeweging in India, zorgde voor een morele breuk tussen Gandhi en het Britse gezag. Na het verschrikkelijke bloedbad in Amritsar in Punjab in 1919 wilde hij niet langer samenwerken met de Britten. Hij zag hoe zij ‘de bevolking van India vernederden en financieel uitzogen’.

In 1920 bedacht Gandhi de actievorm ‘non-coöperatie’ en wilde de Indiërs rijp maken voor zelfbeschikking en autonomie. Hij kreeg een schriftelijk podium in twee weekbladen en reisde een jaar lang door het land waar hij speeches gaf op stations en in fabrieken. Eind 1920 was zijn leiderschap in de Congrespartij onbetwist, hij was de ‘Vader des Vaderlands’. Velen volgden zijn voorbeeld van burgerlijke ongehoorzaamheid, maar zelfbeschikking was nog ver weg. In 1922 werd Gandhi opgepakt en veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Daar besteedde hij zijn tijd aan lezen, spinnen en bidden. In 1924 kwam hij vrij vanwege een blindedarmontsteking.

In 1928 trad hij politiek weer op de voorgrond. Zijn inzet bij de ‘zoutmarsen’ in 1930 deed zijn populariteit en invloed groeien. De zoutmars was een 400 kilometer lange tocht naar de oceaan om voor eigen gebruik zout te winnen, wat verboden was. De opstand groeide en in maart 1931 werd het zogenaamde Gandhi-Irwin-pact getekend. De Britten beloofden politieke gevangenen vrij te laten in ruil voor het opschorten van de burgerlijke ongehoorzaamheidsbeweging. Gandhi’s aanwezigheid, als vertegenwoordiger van de Congrespartij, bij een rondetafelconferentie in Londen was echter teleurstellend. Hij was over het hoogtepunt van zijn macht heen.

Een spirituele tragedie

Gandhi geloofde in het pluralisme en vond dat alle godsdiensten waar zijn, net zoals alle godsdiensten verkeerde dingen kunnen bevatten. Hij wilde vreedzaam samenleven met alle soorten gelovigen. Slechts weinigen deelden zijn standpunt in een multireligieus land als India. Hij had het dan ook regelmatig aan de stok met Mohammed Jinnah, de leider van de Moslim Liga, die een eigen natie wilde voor de moslims. Gandhi geloofde juist niet dat het gros van de moslims zich ooit zouden willen afscheiden van India. Ook met de jonge jurist Bhimrao Ambedkar, uit een familie van onaanraakbaren, kwam hij niet tot overeenstemming. Gandhi had weliswaar kritiek op het kastensysteem, maar wilde het hervormen, niet afschaffen. Ambedkar was woest toen Gandhi verhinderde dat de onaanraakbaren eigen zetels kregen in het parlement, omdat hij tegen ‘apartheid’ was. Hij zag Gandhi’s hongerstaking als politieke stunt.

Gandhi’s politieke invloed nam af, maar de Tweede Wereldoorlog gaf hem, inmiddels de zeventig gepasseerd, weer momentum. Hij vond dat Indiërs niet konden meevechten met de Britten als de Britse overheersers, het doel van de oorlog, bevrijding, niet zouden realiseren in India. Hij startte een nieuwe non-coöperatie-campagne, de Quit India Satyagrah. Dat werd de grootste beweging voor onafhankelijkheid, met massa-arrestaties en tot gevolg. Churchill moest helemaal niets van Gandhi hebben en noemde hem ‘’s werelds meest succesvolle man van prietpraat’. Gandhi werd in 1943 vastgezet en overleefde een hongerstaking. In 1944 kwam hij vrij, maar in een slechte gezondheid.

Ook India werd vrij, zij het helemaal niet zoals Gandhi had gehoopt. De Britten hadden simpelweg geen geld meer om het land, dat ooit een ‘melkkoe’ was geweest, als kolonie te behouden, schrijft Bax. De hindoe Nehru kreeg in 1946 de opdracht van de Britse onderkoning om een interim-regering te vormen ter voorbereiding op de onafhankelijkheid. Bang voor een nieuwe overheersing door de hindoes, riep Jinnah van de Moslim Liga een boycot uit. Waarschijnlijk onbedoeld zette hij hiermee een religieuze burgeroorlog in gang. Er was extreem veel geweld onder allebei de groepen, onder andere in Oost-Bengalen en in Bihar. Gandhi voelde zich verscheurd: moest hij de hindoes te hulp schieten of juist de moslims? Te voet trok hij van dorp naar dorp, opnieuw anderen inspirerend met zijn wandeltocht voor de vrede. Hij zag dat de hindoes in Bihar net zoveel geweld hadden gepleegd als de moslims in Noakhali.

Veel partijen raadpleegden hem en na veel overleg gaf Gandhi uiteindelijk toestemming het land te verdelen. Hij reageerde ‘smartelijk’ op deze deling, die hij een spirituele tragedie noemde: “Mijn levenswerk schijnt over te zijn. Ik hoop dat God mij verdere vernederingen bespaart.” Er werd Gandhi echter niets bespaard. Voorafgaande aan de deling ontstond een grote volksverhuizing, gepaard gaande met veel geweld. De hongerstaking van Gandhi leidde even tot ‘het wonder van Calcutta’, een totale verbroedering op de Dag van de Onafhankelijkheid op 15 augustus 1947. Maar na negen dagen laaide het geweld weer op en tot op vandaag is het onrustig aan de grenzen van Bangladesh, Pakistan, Kasjmir en India. De moord op Gandhi, op 30 januari 1948 in New Delhi, schokte de wereld. Vooral omdat de moord werd gepleegd door een hindoe geloofsgenoot.

Zelfrespect

Elisabeth Bax legt in haar boek de nadruk op de spirituele ontwikkeling van Gandhi in samenhang met zijn activisme. Zij portretteert hem niet alleen als strijder voor politieke onafhankelijkheid, maar benadrukt dat hij even hard vocht voor religieuze saamhorigheid, kaste- en gendergelijkheid en de ontwikkeling van zelfrespect in elke Indiër. Gandhi’s politieke inzet was volgens Bax nauw verbonden met zijn levensfilosofie:

“Hoewel Gandhi dikwijls bestempeld wordt als een ‘nationalist’, is dit maar beperkt waar. Zijn nationalisme was erop gericht om India eerst zijn zelfrespect en zelfstandigheid terug te geven met het doel om vervolgens als land ‘dienend’ te zijn aan de mensheid wereldwijd.”

Bax bewondert Gandhi’s ideeën en zijn keuzes duidelijk, maar kritiekloos is ze zeker niet. Ze stipt zijn ‘superioriteitsdenken’ in de Zuid-Afrikaanse tijd aan, de soms onnavolgbare compromissen en de lastige verhouding met zijn vrouw. Zij legt de – voor westerse lezers – ingewikkelde religieuze en culturele gebruiken en bronnen uit en geeft in de bijlagen aanvullende informatie over het kastensysteem, het jainisme van Gandhi’s familie en de situatie in Brits India.  

Gandhi schreef een autobiografie en er zijn al veel dikke en Engelstalige biografieën over Gandhi geschreven. Bax maakt ruim gebruik van deze bronnen en pretendeert niet iets nieuws te brengen, maar neemt wel hier en daar stelling in politieke of biografische discussies. Gandhi. Activist en spiritueel leider is vooral een handzame introductie op het gedachtengoed van Gandhi voor de Nederlandse lezer.

Gandhi. Activist en spiritueel leider
Elisabeth Bax
Damon
ISBN 9789463403313
Verschenen in november 2022

Bestelinformatie

Petra Teunissen-Nijsse
Petra Teunissen-Nijsse
Petra Teunissen-Nijsse werkt als freelance redacteur, journalist en biografisch onderzoeker. Zij publiceerde over Louis Couperus, Carry van Bruggen en Clare Lennart. In juni 2017 promoveerde zij op het proefschrift Voor ’t gewone leven ongeschikt. Een biografie van Clare Lennart. Haar tekstbureau heet Leven in Woorden

Fijn als je dit artikel met anderen deelt:

Lees ook...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in