De zaaizucht van Herman Boerhaave

herman boerhaave door cornelis troost

Over Boerhaave is al veel geschreven, merkt biologe Margreet Wesseling terecht in haar inleiding op. Luuc Kooymans heeft bijvoorbeeld een uitstekende Nederlandstalige biografie van Boerhaave geschreven. Waarom waagde Wesseling zich dan toch aan een nieuwe biografie van Boerhaave ?

Boerhaave is vooral bekend als medicus. Toch was hij niet alleen hoogleraar medicijnen, maar hij bezette ook een leerstoel in de plantkunde. Dat Boerhaaves interesse in de botanie groot was en raakvlakken heeft met zijn geneeskunst, is minder bekend. Wesseling vult deze lacune in Boerhaaves nalatenschap met haar uitgebreide biografie Boerhaave botanicus. Zijn tuinen, zaaiboeken en botanische vrienden.

Het leven van Boerhaave is inderdaad niet los te zien van zijn medische praktijk, bewijst Wesseling. Hij houdt zijn hele leven lang zaaiboeken bij, waarin hij nauwkeurig noteert wat hij wanneer plant, en waar de zaden vandaan komen. Boerhaave, toch al geen luie man, zaaide in 1712 wel 489 verschillende soorten, gevolgd door 689 zaden het jaar daarop. De oogst kon hij goed gebruiken voor zijn medische praktijk. De Leidse hortus botanicus, die onder leiding stond van Boerhaave, werd ook gebruikt voor colleges kruidkunde voor de geneeskundestudenten.

Bovendien ging Boerhaaves fascinatie voor de botanie verder dan alleen een wetenschappelijke interesse. Bij vlagen lijkt het wel of hij bevangen is door verzamelkoorts. Aan zijn goede vriend Jean Baptiste Bassand, die hij ‘bekeerd’ heeft tot de botanie, schrijft hij: ‘hoe meer men bezit, hoe meer men wil hebben.’ Hij mocht dan bekend staan als een bescheiden man, in legio brieven sluit hij brutaal een lijst bij van alle planten die hij graag wil hebben. Boerhaave gaf ook veel weg aan vrienden en correspondenten. Hij hoopte dan iets terug te ontvangen, wat niet altijd gebeurde. Aan de Italiaanse botanicus Pier Antonio Micheli schrijft Boerhaave haast wanhopig: ‘Steeds weer vroeg ik om zaden, steeds weer beloofde u ze te sturen, maar u deed het niet. Doe nu eindelijk eens iets terug, stuur als het u belieft zaden van alle ceders, kurkeiken en steeneiken om mijn tuin te voltooien.’

Met ‘mijn tuin’ doelde Boerhaave op Oud-Poelgeest, een huis met landgoed, waar hij de laatste jaren van zijn leven met zijn gezin woonde. De beperkte ruimte van de hortus in het centrum van Leiden en Boerhaaves onstuitbare verzamelzucht gingen niet altijd goed samen, en Oud-Poelgeest bood daarom een uitkomst. Boerhaave legde er een bomentuin aan, waarover Carolus Linnaeus na een bezoek schreef dat hij ‘versteld stond toen hij dit paradijs binnentrad, dit mirakel van de Nederlanden’.

Boerhaave nodigde niet alleen collega’s uit op zijn landgoed, hij correspondeerde ook uitvoerig met wetenschappers uit heel Europa. Medici uit binnen- en buitenland vroegen hem geregeld om raad wanneer ze een (hooggeplaatste) patiënt hadden die ze niet konden genezen. Die briefwisseling is des te interessanter omdat het een idee geeft van hoe dokters aan het begin van de achttiende eeuw te werk gingen. Ze konden kwalen verhelpen, maar soms leek hun expertise meer op een combinatie van giswerk en bijgeloof gestoeld te zijn. Een Weense prinses die leed aan doofheid raadde Boerhaave bijvoorbeeld aan de ‘zachte haartjes van een geitenbok, verzameld rond de balzak, die enige tijd boven de rook van aangestoken wierook hebben gehangen’ in haar oren te stoppen. En Bassand, die aan jicht leed, moest ‘drie dagen vóór volle maan’ een poeder innemen.

Het aantekenboek van Carl Linnaeus

Ook hield Boerhaave zich bezig met het probleem van het categoriseren van planten. Veel planten hadden meerdere namen en werden in verschillende indexen onder totaal andere categorieën ingedeeld. Een doorn in het oog voor iemand met het motto: ‘Eenvoud is het kenmerk van het ware.’ Later zou Linnaeus het bestaande systeem radicaal op de schop gooien en de basis leggen voor de moderne taxonomie.

Wie van planten houdt, of van vroegmoderne wetenschap, kan zich aan dit boek laven. De vele oude illustraties en foto’s van Boerhaaves geschriften zijn een prachtige aanvulling op de teksten, zeker waar het om planten gaat. Wel zijn de uitvoerige beschrijvingen en citaten zo hier en daar wat al te uitgebreid. Als lezer hoef je niet te weten dat Boerhaave bij Micheli informeerde of de goudstukken die hij stuurde al waren aangekomen. Veel informatie wordt bovendien op meerdere plekken gegeven; soms is dat prettig, soms werkt het, in combinatie met de ietwat onduidelijke structuur, enigszins verwarrend. Dat is wellicht evenzeer de uitgever als de auteur aan te rekenen.

Het boek zou ook gebaat zijn bij een wat stevigere inbedding in de tijd en een korte inleiding in de botanie. Er komen de nodige plantennamen en botanische begrippen langs, waar de niet-onderlegde lezer niet veel wijzer van wordt. En hoewel Boerhaaves geneeswijzen soms lijken op die van een druïde, zou enige historische context duidelijk maken waarom hij juist zo vooruitstrevend en vermaard was. Daardoor zou ook duidelijker worden waarom het, 350 jaar na zijn geboorte, nog steeds de moeite waard is om over Boerhaave en zijn zaaizucht te lezen.

Boerhaave botanicus. Zijn tuinen, zaaiboeken en botanische vrienden
Margreet Wesseling
Primavera Pers, Leiden
ISBN9789059972742
Verschenen in december 2018

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 29,50)

Koop bij bol.com Bestel als paperback bij bol.com (€ 29,50)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here