het digitale platform voor de biografie in Nederland

Registreer u met uw email-adres en kies een wachtwoord
Ik ontvang graag de maandelijkse nieuwsbrief van Biografieportaal.nl

Gerard von Brucken Fock (1859-1935). De worstelende Zeeuw

Levensbeschrijvingen van Vincent van Gogh en Multatuli tonen aan dat een vermoeiend leven niet per se een vermoeiende biografie hoeft op te leveren. Maar in het geval van de componist en schilder Gerard von Brucken Fock (1859-1935) is dat helaas wel het geval.

Geboren in een zeer welvarende Zeeuwse familie, is Von Brucken Fock permanent en vruchteloos op zoek naar een juiste levensinvulling. Voor compositielessen gaat hij naar Berlijn, maar hij vindt zichzelf te ‘geniaal’ voor al dat getheoretiseer. In grote steden ‘valt hij in moreel en artistiek opzicht’, en verlangt hij naar de rust van Zeeland, in Zeeland verlangt hij naar de drukte van de stad. Als hij weer eens een tijdje heeft gecomponeerd, twijfelt hij aan de waarde van de muziek, en vraagt hij zich af of het niet ‘zondig’ is om zich met zoiets nutteloos bezig te houden. Hij trouwt met een vrouw, van wie hij na het lezen van De Comedie der Liefde van Ibsen al snel weer wil scheiden, maar hij blijft toch maar bij haar. Hij is begaan met de armen, geeft al zijn bezittingen weg en gaat naar Dresden, waar hij wil leven van zijn muziek. Zijn vrouw moet maar in een naaiatelier gaan werken. In Tolsloj leest hij vervolgens dat je moet leven van wat je zelf verbouwt, dus: op naar de boerderij om het land te gaan bewerken. Terug in Zeeland blijkt dat de man die het vermogen weg moest schenken dat wijselijk nog maar niet heeft gedaan. Von Brucken Fock wisselt zijn creatieve periodes af met periodes van godsdienstwaanzin. Hij vertrekt naar Parijs om te werken onder de armen als soldaat bij het Leger des Heils. Teleurgesteld in het Leger des Heils vertrekt hij naar Amsterdam en sluit zich enthousiast aan bij de Vrije Evangelische Gemeente, om daar weer terug te verlangen naar het Leger des Heils, et cetera, et cetera.

Het vermoeiende zit hem helaas niet alleen in de manier waarop Von Brucken Fock zijn levensjaren heeft gevuld, maar ook in de halfslachtige houding van biograaf Eric Matser ten aanzien van zijn ‘held’. Bladzij na bladzij draagt hij gegevens aan die helder laten zien waarom Von Brucken Fock als componist en schilder gedurende zijn leven en daarna precies de plaats inneemt die hij als kunstenaar verdient, maar tegen beter weten in wil Matser hem daar op de een of de andere manier toch bovenuit tillen.

Gerard von Brucken Fock (1859-1935) in 1906. Bron: Bergen Public Library Norway (no known copyright restrictions)

In die zin is gekozen titel van de biografie symbolisch: De Hollandse Chopin. Zo’n titel schept hoge verwachtingen. Op enig moment zou Edward Grieg zijn Zeeuwse collega zo hebben genoemd, dus aanhalingstekens rond de titel zouden op zijn plaats zijn geweest. Maar uit het boek blijkt dat Grieg de pianowerkjes van Von Brucken Fock in een gesprek met hun wederzijdse vriend Julius Röntgen ‘Chopinerig’ heeft genoemd. De eretitel ‘Hollandse Chopin’ komt alleen voor in de door de biograaf zelf onbetrouwbaar genoemde Levensherinneringen van Von Brucken Fock. Toch noemt Matser hem om de paar bladzijden ‘de Hollandse Chopin’ waardoor de (mogelijke?) (ironische?) mening van Grieg die van Matser zelf wordt.

‘Heer, wat moet ik toch met mijn leven doen?’ verzucht Von Brucken Fock in 1891, en het zou zijn wapenspreuk kunnen zijn. Permanent teleurgesteld in zichzelf, in de wereld. De egocentrische zoektocht van een man die nooit heeft hoeven werken voor zijn geld, reizend van badplaats naar kuuroord, hier en daar een villa bouwend, kopend en verkopend. En dan die arme vrouw van hem. Raadselachtig formuleert Matser dat ‘ze het (deels) met hem uithield’ door de haar toegeschreven ‘vergevingsgezinde humor’ en ‘milde wijsheid’. Net als Von Brucken Fock besteedt ook Matser weinig aandacht aan haar: ‘Opvallend is dat hij in de egodocumenten zwijgt over zijn gevoelens voor Maria in de eerste huwelijksjaren. Voor ons lijkt te gelden: geen bericht, goed bericht. (cursivering AvD). Ik heb op internet moeten opzoeken dat ze haar man nog 25 jaar overleefde en pas in 1960 overleed.

Jaloers en paranoïde als hij was, had Von Brucken Fock een hekel aan de kliek rond Mengelberg, Diepenbrock en ‘diens loopjongen’ Matthijs Vermeulen. Hij moet ‘revanche’ nemen op zijn broer Emile, die ‘handig was voorgedrongen’ tijdens een muziekfeest in 1902, en op Diepenbrock, ‘die met zijn Te Deum de show had gestolen’. Woorden van Von Brucken Fock zelf in zijn Levensherinneringen? Of van de biograaf? Het wordt niet duidelijk. Het zijn de momenten waarop Matser de verleiding niet kan weerstaan zich met zijn ‘held’ te vereenzelvigen.

Behalve schilder en componist was Von Brucken Fock af en toe ook schrijver. De artikelen die hij gedurende twee seizoenen schreef voor De Amsterdammer blinken volgens de biograaf uit ‘in stijl, gevatheid, inzicht, kennis van zaken en soms – toegegeven – wijdlopigheid, maar dat laatste was ook een tijdfenomeen’. Eigenlijk heeft Nederland volgens Matser maar twee muziekcritici gekend van een ‘minstens gelijkwaardig niveau’: Willem Pijper en Matthijs Vermeulen. Diepenbrock, Johann Sebastiaan Brandts Buys, Hugo Nolthenius, Willem Landré, volgens Matser allemaal voorbijgestreefd door Gerard Von Brucken Fock. De citaten die hij uit De Amsterdammer heeft opgediept rechtvaardigen deze opinie niet. Von Brucken Fock schreef ook nog een uiteraard onuitgegeven, autobiografische roman.

De associaties met de grootmeesters in de kunst werken op den duur aandoenlijk. ‘Hij voelde zich verwant met Multatuli, maar op één punt hadden ze het nooit eens kunnen worden: het christelijk geloof’, hij gaat ‘in het voetspoor van Vincent van Gogh’ naar de Borinage, waar hij ‘de schoonheid van een modern inferno schildert ten behoede van zichzelf, de mensheid en God’ en van de weeromstuit vergeet waarom hij erheen ging: ‘eenvoudig hulp bieden aan de armen en evangeliseren’. Hij schildert een tijdje in Domburg, precies een jaar na Mondriaan. ‘Nog ‘één keer zouden ze elkaar bijna tegen het lijf lopen, en wel in Laren.’

Het boek staat vol met abrupte en raadselachtige, niet te volgen gedachtegangen. Een willekeurig voorbeeld: Von Brucken Fock heeft wandelend door de bossen van de Utrechtse Heuvelrug het wilde visioen dat er ieder moment een vrouw ‘in al haar naaktheid’ tevoorschijn zou kunnen komen. Matser: ‘Was dit de aanleiding voor het pianostukje met de titel Humoreske? Belangrijker is de vraag wat Von Brucken Fock ertoe heeft gebracht zijn heil in Berlijn te gaan zoeken.’ Twee onbeantwoorde vragen waar de lezer mee blijft zitten. Als Von Brucken Fock een negatieve kritiek schrijft over een optreden van de pianiste Maria Carreño, vraagt Matser zich af: ‘Was hij misschien een beetje jaloers op de carrière van mevrouw Carreño? Of was ze gewoon te knap?’ Het staat er zo, zonder enige uitleg…

Uiteraard zijn er in het oeuvre van Von Brucken Fock kleine meesterwerkjes te vinden, met name in zijn pianomuziek. De mooi verzorgde, rijk geïllustreerde biografie bevat een CD met een aantal – soms historische – opnames, en uit de beide kleurenkaternen kunnen we opmaken dat Von Brucken Fock inderdaad lovenswaardige schilderwerkjes heeft vervaardigd. Zeker verdient ook een kunstenaar van het niveau van Von Brucken Fock een biografie. Het is alleen erg jammer dat net als de componist-schilder ook de biograaf geen heldere keuzes maakt en geen consequenties trekt uit de gegevens die hij zelf opdient. Matser wilde onderzoeken hoe het komt dat Von Brucken Fock vergeten is, en heeft ongewild en onbewust een volstrekt helder antwoord op die vraag gegeven.

Als we in de biografieën van Multatuli en Van Gogh lezen over hun niet aflatende strijd tegen de wereld in en buiten henzelf, ervaren we dat tegen de achtergrond van hun geniale productie als iets vanzelfsprekends en onvermijdelijks. De onderhavige biografie is zo interessant omdat het een lijdende kunstenaar laat zien met dezelfde heftige worstelingen, maar dan zonder een vergelijkbaar resultaat. Matser noemt Von Brucken Fock in zijn inleiding ‘een worstelende Zeeuw’ – dat was volgens mij de perfecte titel van het boek geweest.

De Hollandse Chopin. Componist en schilder Gerard von Brucken Fock (1859-1935)
Eric L. Matser
Uitgeverij Verloren
ISBN 9789087049638
Verschenen in november 2021

Bestelinformatie

Bestel als hardcover bij bol.com (€ 29,00)
Bestel als hardcover bij Athenaeum Boekhandel (€ 29,00)
Arthur van Dijk
Arthur van Dijk
Arthur van Dijk studeerde letteren, muziekwetenschap en geschiedenis, is voormalig orkestdirecteur en werkt nu als adviseur in de culturele sector. Hij is publicist en werkt aan de biografie van de componist Willem Pijper. Daarnaast heeft hij een boek over de 19de-eeuwse kermis in voorbereiding.

Fijn als je dit artikel met anderen deelt:

Lees ook...

1 REACTIE

  1. Uit alles blijkt dat Arthur van Dijk mijn biografie ‘De Hollandse Chopin – Componist en schilder Gerard von Brucken Fock 1859-1935’ niet goed heeft gelezen en niet goed heeft begrepen. Ik bespeur bovendien een grote vooringenomenheid en een lichtelijk neerbuigende toon naar mij. Van Dijk lijkt geen enkel gevoel voor (mijn) ironie en mijn losse verteltrant te hebben. Conclusies tijdens de levensbeschrijving acht ik niet op zijn plaats, wel in een samenvatting of nabeschouwing. En daar ga ik dan ook los. Ik vraag me af of van Dijk dat heeft gezien. Hij lijkt patent te hebben op helderziendheid. Er staan een paar storende fouten in de recensie:
    – ik zou hebben beweerd dat de muziekkritieken van VBF minstens zo goed waren als die van Pijper en Vermeulen. Dit is een onjuiste weergave.
    – ik zou te weinig aandacht hebben besteed aan de vrouw van VBF, Marie. Dit is onjuist. Alles wat over haar bekend is en over de gevoelens van VBF staat in het boek. Dat ze na de dood van VBF is overleden is irrelevant.
    Ik laat het hierbij.
    Eric L. Matser

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in