Een goed gesprek met Orson Welles

Orson Welles

Orson Welles was 25 toen hij volgens de American Film Institute de beste film aller tijden maakte: Citizen Kane. Jean-Paul Sartre was minder enthousiast: ‘The image is too much in love with itself.’ Welles heeft hem die kritiek nooit vergeven. Sartre was te dom om in te zien dat Citizen Kane een komedie is, in de klassieke betekenis van het woord. ‘Sartre , who has no sence of humor, couldn’t react to it all.’

Die opmerking maakte Welles tijdens een van de lunches met collega-filmmaker Henry Jaglom. Vanaf het einde van de jaren zeventig ontmoetten ze elkaar wekelijks in Ma Maison, een bistro in West Hollywood. Drie jaar voor zijn dood leek het Welles een goed idee dat Jaglom zijn monologen – want dat waren hun ‘conversaties’ – zou opnemen. Peter Biskind transcribeerde de hoogst vermakelijke tapes in My Lunches with Orson.

Het boek is een amalgaam van zelfbeklag, gossip en zelfverheerlijking geworden. Orson Welles valt in zijn optreden volkomen samen met het beeld van het enfant terrible van Hollywood dat door de studiobonzen in zijn genialiteit is geknakt. Na Citizen Kane stond zijn carrière – en reputatie – vooral in het teken van de films die hij niet heeft gemaakt, door geldgebrek, verveling of trouweloze vrienden als Jack Nicholson die weigerden onder hun normale gage voor hem te werken. Welles kijkt met nostalgie terug op ‘old moguls’ als Sam Goldwyn en Louis B. Mayer. ‘They were all easier to deal with than these college-educated, market-conscious people. I never really suffered from the ‘bad old boys.’ I’ve only suffered from lawyers and agents.’ Toen Welles in 1985 stierf, liet hij negentien onvoltooide projecten na.

In de laatste tien jaar van zijn leven was hij vooral toegewijd aan het genre van de tv-commercial, ‘I think my future is in advertising.’ Hij hoopte als het gezicht – en de stem – van wijnmaker Paul Masson op een langlopend spotje dat ‘would change my life.’ Toen hij ook van Masson de zak kreeg, was hij oprecht teleurgesteld in zijn ‘failure as a performer in commercials.’

Aan verlegen mensen had hij een broertje dood. Hij noemde het de Chaplin disease. ‘That particular combination of arrogance and timidity.’ Maar goed, met Chaplin had hij nog een appeltje te schillen. Die had hem van de credits van Monsieur Verdoux beroofd en zijn geniale script in een draak veranderd.

Wanneer Welles op een middag in Ma Maison Richard Burton ontmoet, die hem vraagt of hij Elizabeth er even bij mag roepen, zegt hij doodleuk: ‘No. As you can see, I’m in the middle of my Lunch. I’ll stop by on my way out.’ Nogal onbeschoft, vond Henry Jaglom. ‘Do not kick me under the table. I hate that. I don’t need you as my ­conscience, my Jewish Jiminy Cricket. Especially do not kick my boots. You know they protect my ankles. Richard Burton had great talent. He’s ruined his great gifts. He’s become a joke with a celebrity wife. Now he just works for money, does the worst shit. And I wasn’t rude. To quote Carl Laemmle, “I gave him an evasive answer. I told him, ‘Go fuck yourself.’ ”

Always a gentleman, die Welles.

My Lunches with Orson. Conversations Between Henry Jaglom and Orson Welles
Peter Biskind
Metropolitan Books
ISBN 9780805097252
Verschenen juli 2013

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 19,95)

Koop bij bol.com

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 24,99)

DELEN

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here