Sara de Swart, uit geestdrift voor het schone

Sara de Swart

Jan Engelman noemde haar in zijn In Memoriam “een der eerste voorbeelden van de emancipatie der vrouw”, haar biograaf Jaap Versteegh voegt eraan toe dat ze al vroeg uitkwam voor haar homoseksualiteit. Toch beklijft in Fatale kunst. Leven en werk van Sara de Swart (1861-1951) niet het beeld van een strijdbare vrouw, eerder dat van een barmhartige Samaritaan, die haar mannelijke kunstbroeders in al hun genialiteit liet bloeien. Stank voor dank was haar deel.

Sara de Swart, geboren op 6 augustus 1861 in Arnhem, kreeg de kunsten met de paplepel ingegoten. Haar vader was landschapsschilder Corstiaan de Swart, haar moeder een telg van de roemruchte uitgeversfamilie Yntema. Die had een fortuin vergaard met de uitgave van de Vaderlandsche letteroefeningen, opgericht in 1761 en een baken van de Verlichtingsidealen die toen de ronde deden. In de eerste helft van de negentiende eeuw stond het tijdschrift echter voor alles wat conservatief en oubollig was in Nederland. De dichters van het Reveil – Willem Bilderdijk, Isaäc Da Costa – en romantici als Nicolaas Beets en Johannes Kneppelhout kozen Jacob Wijbrand Yntema tot het mikpunt van hun spot (“Hij kon van ’t land de grootste dichter wezen,/en ’t is maar uit beleefdheid zo hij ’t laat,” sneerde Beets). Zij vonden in het kersverse tijdschrift De Gids hun emplooi, een welkome tegenhanger van de “Vaderlandsche Leuteroefeningen”.

Sara de Swart maakte tijdens haar studententijd in Amsterdam kennis met een beweging die op haar beurt de generatie van Beets en consorten op de shop zou nemen: de Tachtigers. Ze wilde beeldhouwster worden en leerde de kneepjes van het vak op de zolder van het pas geopende Rijksmuseum, onder andere van Pierre Cuypers. Die bedacht dat hij de uitvoerders van zijn ornamentale versierkunst net zo goed zelf kon opleiden, in plaats van ze uit het buitenland te halen. Ze raakte bevriend met Maurits van der Valk en maakte in zijn atelier aan de Amsteldijk kennis met de andere bohemiens – Willem Witsen, Jan Voerman, Jacobus van Looy, Antoon Derkinderen, Jan Veth, Jan Toorop en Eduard Karssen.

Sara de Swart kwam uit een doopsgezind nest, hulp aan de behoeftige medemens was een vanzelfsprekendheid. In haar nieuwe vriendenkring kreeg ze al snel de naam van mecenas, ze kocht werk van – toen nog – onbekende kunstenaars als George Hendrik Breitner en Maurits van der Valk. In 1888 deed Eduard Karsen een beroep op haar, die haar goedgeefsheid als een liefdesverklaring opvatte. Sara ging niet in op zijn avances, ze viel op vrouwen. Willem Kloos probeerde het zijn vriend aan het verstand te brengen, door hem twee boekjes van Rachilde te schenken (pseudoniem van Marguerite Vallette-Eymery) die door de Franse overheid vanwege de androgyne strekking verboden waren. Karsen ging volledig door het lint. Hij verdacht Sara de Swart en haar vriendinnen ervan een complot tegen hem te hebben gesmeed, zijn ziel te vergiftigen, en wat dies meer zij. Jan Veth probeerde te bemiddelen en stelde een arbitragecommissie voor. Op 12 oktober 1891 kwamen ze bijeen in Hotel Café Suisse in de Kalverstraat. Het “heiligenbeeld, verheerlijkt in den schijn van mijne illuzie”, zo sprak Karsen tijdens zijn urenlange apologie, werd wreed verstoord toen zij op een dag het portret van een naakt meisje uit haar boezem toverde. ‘“Het kopje is heel lief,” zei ik. – “En de beentjes?” vroeg zij. Het geslachtsdeel was zeer duidelijk en open.”’ De uitspraak van de arbiters, dat de ondeugden alleen in zijn “ziekelijke verbeelding hebben bestaan” en dat hij zijn spijt betuigt over de laster, tekende Karsen met tegenzin. Een maand later werd de strijd tegen de dames hervat.

Eduard Karsen (1860-1941), Jan Veth (1864-1925) en Willem Kloos (1859-1938)

De lastercampagne van de labiele Karsen zouden we vandaag de dag afdoen als stalkingsgedrag. Drie jaar na de affaire-Karsen overkwam Sara de Swart iets soortgelijks met Willem Kloos. Ze verpleegde de alcoholicus met haar vriendin Anna Vis dag en nacht in haar atelier aan het Oosterpark en organiseerde een inzamelingsactie onder vrienden toen opname in een sanatorium onvermijdelijk was. In zijn Nieuwe Verzen, uitgegeven in 1895, kijkt Kloos terug op de interventie van zijn weldoensters. “Ga heen, beste vrouw, ik heb u gelezen.” In een brief aan Willem Witsen heet het: “Beste Wim, Help me nu toch. Ik heb drie maanden in een Sanatorium gezeten, omdat ik door een Lesbische vrouw verneukt was.” Paranoia, gevoed door het misogyne wereldbeeld dat aan het einde van de negentiende eeuw breed werd uitgedragen. De vrouw als vamp, de arme Sara de Swart moest het zich allemaal laten welgevallen.

In 1897 ontmoette ze de liefde van haar leven, Emilie van Kerckhoff, met wie ze een villa in Laren betrok. Ze raakte bevriend met Alphons Diepenbrock en leerde via hem Gustav Mahler kennen. Het glas-in-lood was van Antoon Derkinderen, Emile Bernard leverde een kast voor 1000 francs. Sara de Swart was nog steeds grootafnemer van haar artistieke vriendenkring, die in villa De Hoeve aan de Drift altijd welkom was. In het voorjaar van 1914 was de koek op. “Zij behoorde tot de categorie van mensen bij wie het geld niet wezen wil,” sprak Henriette Roland Holst over haar vriendin. “Zij had een royale hand, minder voor zichzelf dan voor anderen en van haar grenzeloze goedheid werd in hooge mate gebruik gemaakt.” De Swart vluchtte met haar partner naar het buitenland. Emilie wist niet dat ze er zo belabberd voor stonden en vatte het financiële debacle op als een vertrouwenscrisis. Geen breuk, wel een verwijdering, die de rest van hun leven zou duren. Een leven dat in Italië werd doorgebracht, op Capri om precies te zijn, waar Emilie een huisje liet bouwen, Casa Surya. In 1925 organiseerde ze een inzamelingsactie voor haar oude vriendin, zoals Sara eens voor Kloos had gedaan. Van het geld financierde ze de aanbouw, een huisje voor Sara. Living apart together. Sara hield er zich vooral bezig met tuinieren, volledig berooid van het vermogen waarover ze eens had beschikt. Daar stierf ze op 12 augustus 1951. Ze was net negentig geworden, “bijna blind, oud en moe.”

In Fatale kunst. Leven en werk van Sara de Swart (1861-1951) eert Jaap Versteegh het leven van zijn oudtante. Het gebrek aan bronnenmateriaal speelt hem soms parten in de karaktersering van deze vrouw. Er werd met name over haar gesproken, in de lastercampagnes van Karsen en Kloos, en in de dagboeken van haar partner Emilie van Kerckhoff. Veelal zeggen die uitingen meer over hen dan over Sara de Swart. Versteegh citeert rijkelijk uit de bronnen, wat de leesbaarheid van zijn relaas niet altijd ten goede komt. Maar het tijdsbeeld van de Beweging van Tachtig, de internationale kunstenaarskolonies van Parijs en Capri waarin Sara de Swart vertoefde, en haar gepassioneerde verhouding tot de kunst, boeien. Dat was ook de opzet van Versteegh. Het altruïsme van Sara Swart contrasteerde scherp met “de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie” van Kloos en consorten.

Fatale kunst. Leven en werk van Sara de Swart (1861-1951)
Jaap Versteegh
Vantilt
ISBN 9789460042232
Verschenen in maart 2016

Bestelinformatie

Bestel hier als paperback bij bol.com (€ 19,99)

Koop bij bol.com

DELEN
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here