Jeroen Bosch en de vier uitersten

Wat weten we van Jeroen Bosch? Niet zo veel. We weten dat hij geboren moet zijn tussen 1450 en 1455, door intimi Joen werd genoemd, een rijke vrouw trouwde (Aleid van Meervenne) en in 1516 overleed, wellicht aan de pleuritis die toen in Den Bosch en omgeving flink huis hield. Zijn klanten waren niet de minste, Filips de Schone en Hendrik III van Nassau-Breda onder andere. Behoorlijk wat schilderijen van zijn hand zijn verloren gegaan, en behoorlijk wat werk dat aan hem werd toegeschreven blijkt achteraf van anderen te zijn, ateliermedewerkers wellicht, want die had hij waarschijnlijk ook in dienst. Vast en zeker bekleedde hij een kerkelijk ambt in de Sint-Jan, want hij behoorde tot het selecte gezelschap van de gezworen broeders van de Lieve Vrouwe Broederschap – acoliet, lector of, wie weet, exorcist. Er zijn portretten van hem in omloop, maar daar leek hij waarschijnlijk niet op, want die zijn van latere datum. Wel droeg hij, als lid van de broederschap, een mantel met capuchon waarop een zilveren insigne met een devies prijkte: Sicut lilium inter spinas – als de lelie onder de doornen. De Duitse kunsthistoricus Nils Büttner beperkt zich in Jeroen Bosch. De schilder van visioenen en nachtmerries daarom tot wat we wel van Bosch kunnen weten: zijn nalatenschap van hellevisioenen, narrenschepen en landlopers. Büttner schreef het boekje van nog geen tweehonderd pagina’s in 2012. In het Jeroen Boschjaar is de Nederlands vertaling verschenen.

Tuin der lusten Jeroen Bosch
Tuin der lusten

Jeroen Bosch en zijn theologische betekenis

De theologische kennis van Jeroen Bosch staat buiten kijf, want daarvan is zijn werk doordrenkt. Hij leefde in een tijd dat de devotio moderna op haar hoogtepunt was. De spirituele vernieuwingsbeweging, eens in gang gezet door Geert Groote, wilde de verwording binnen de moederkerk tegengaan door terug te keren naar de vroomheid van de woestijnvaders. Las hij Thomas a Kempis en Dionysius van Rijckel? Vast, want van de laatste leerde hij dat het kwaad niet altijd lelijk hoeft te zijn, maar ook schuil kan gaan in het welgevallige. De Tuin der lusten getuigt ervan. Je moet het drieluik lezen, van links naar rechts. Op het linker paneel zien we Adam en Eva, al verloren voor het paradijs, dit keer vanwege Adam, die volledig in de ban is van zijn wederhelft in plaats van God, naar wiens evenbeeld hij geschapen is. Het middenstuk is een schouwtoneel van wellustige vrouwen- en mannenlichamen, een “allegorie van de onkuisheid”. Op het rechter paneel prijkt de hel. Het drieluik moest de hovelingen in het paleis van Hendrik III herinneren aan de dag des oordeels die ooit komen zou. Daar amuseerde men zich met toneel, dans en muziek, maar tussen alle feestgedruis door was er het Memento mori van Jeroen Bosch. De dood als eerste uiterste – de andere drie zijn het laatste oordeel, de hel en het paradijs. In de Zeven hoofdzonden zien we het thema terugkomen in de medaillons. Onder de pupil, het oog van God, is de moraal van het verhaal volledig uitgeschreven: Cave cave deus videt – pas op, pas op, God ziet alles. De straffen getuigen van een “pervers equivalentieprincipe”: de wellustige bedrijft de liefde voortaan met monsters, de driftkikker ontvangt een pak slaag, de veelvraat krijgt slijmerige slangen voorgeschoteld.

De zeven hoofdzonden Jeroen Bosch
De zeven hoofdzonden

Bosch was een kunstenaar met een boodschap, die van zonde en verlossing, een “panorama van schuld en boete”. Afbeeldingen moesten stichtelijk zijn en niet bijdragen, aan wat Erasmus in de Lof der zotheid noemde, “het bijgeloof van de beeldencultus”. We staan aan de vooravond van de beeldenstorm. De afschuw voor het Kwaad werd er door Bosch met de paplepel ingegoten, want die stimuleerde het “sluimerende verlangen naar het goede”. Vandaar de wangedrochten en hellewezens. Oorspronkelijkheid was slechts van beperkte waarde, in het door God gegeven vormenrepertoire ging het om de combinatie van visuele toespelingen, die juist door hun herhaling door de kijker feilloos begrepen werden. Toch schiep Bosch met die monsters iets nieuws. “Ze zitten namelijk zo in elkaar dat ze ook echt lijken te kunnen functioneren, heel anders dan de disjecta membra, de versnipperd aandoende samengestelde monsters uit de margeversieringen in de middeleeuwse boekverluchting. Nooit eerder had iemand monsters in al hun details zo plausibel en in hun totaliteit toch zo onwaarschijnlijk geschilderd als Jeroen Bosch.” Bosch bevond zich op een keerpunt in de Europese kunstgeschiedenis, van de kunstenaar als anonieme ambachtsman naar geniale visionair, die je met naam en toenaam in je bezit wilde hebben. Na zijn dood kwamen er vervalsingen in omloop, onder andere van Pieter Brueghel de Oude, die de groeiende vraag naar een echte “Bosch” moest opvangen. Het moralistische had toen al plaatsgemaakt voor het ornamentele.

Nils Büttner is met zijn kraakheldere proza een fantastische reisleider in de wereld van Jeroen Bosch. Hij neemt de lezer mee op een theologische Odyssee, maar overvoert hem niet, ook niet met interpretaties van het werk. Het is alsof je een gereedschapskistje meekrijgt met een aantal bouwmaterialen, de rest mag je zelf doen. Büttner leert je kijken.

Jeroen Bosch. De schilder van visioenen en nachtmerries
Nils Büttner
Uitgeverij Meulenhoff
ISBN 9789029091367
Verschenen in februari 2016

Bestelinformatie

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 17,99)
Bestel hier als ebook bij bol.com (€ 11,99)

Koop bij bol.com

DELEN
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here