De eeuw van Marlene Dietrich en Leni Riefenstahl

Ze behoorden tot de ‘overtollige generatie’, geboren tussen 1900 en 1907. Te jong om deel te nemen aan de oorlog, oud genoeg om te beseffen dat de vertrouwde standenmaatschappij van het Wilhelminische keizerrijk voorgoed achter hen lag. De toekomst was onzeker, maar maakbaar. Marlene Dietrich wordt op 27 december 1901  geboren in de Sedanstraße, het kazernekwartier van Schöneberg, op dat moment nog een voorstad van Berlijn. Zij is een dochter van een Pruissische officier, al moeten we ons van die afkomst niet teveel voorstellen. Haar biologische vader, Louis Erich Otto Dietrich, luitenant bij de politie, sterft op 5 augustus 1908 in een psychiatrische inrichting, wellicht aan de gevolgen van syfilis. Haar moeder hertrouwt een man van adel, Eduard von Losch, maar die sneuvelt enkele maanden later aan het Russische front.
Leni Riefenstahl ziet op 22 augustus 1902 in het troosteloze Wedding het levenslicht, de ‘arbeiders- en misdadigerskolonie’ van de stad. Haar vader is loodgieter en grijpt zijn kansen met de komst van de centrale verwarming in Berlijn, haar moeder – een ongeschoolde naaister – koestert de artistieke aspiraties van haar dochter. De kinderen moeten de ambities van hun verwekkers waarmaken. ‘De sociale betekenis van kinderen wordt steeds groter: ook Leni en Heinz Riefenstahl zijn voorbestemd  om het opklimmen van de ouders te bekronen,’ aldus Karin Wieland in Dietrich en Riefenstahl. Twee vrouwenlevens in Hollywood en Berlijn.

Leni Riefenstahl

Triomf van de wil

Wieland beschrijft aan de hand van deze twee iconen van de twintigste eeuw ‘de eeuw van de vrouw.’ Beide levens vonden hun bestemming in het Berlijn van de jaren twintig, een ‘nerveuze stad’, de meest ‘Amerikaanse stad van Europa’. Door de superinflatie van 1923 is de metropool op drift. ‘Oud en nieuw geld vermengen zich. Rijk geworden speculanten pronken met verarmde dochters uit adellijke families, Russische prinsessen werken als serveerster bij kunsthandelaars van de Europese avant-garde, en conservatieve bankiers laten hun huis in Bauhausstijl inrichten.’ Een stad vol mogelijkheden dus. Riefenstahl ambieert een leven in de schijnwerpers en volgt fanatiek les bij de danspedagogen die op dat moment in Berlijn zijn neergestreken. Mary Wigman juicht het ‘groot en gerechtvaardigd egoïsme’ toe dat ze in haar leerlingen waarneemt. De dans is niet langer voorbehouden aan meisjes uit de bevoorrechte klasse, ook de serveersters en secretaresses verlangen naar de bühne. Gebroken wordt met het klassieke ballet van de negentiende eeuw, Wigman prefereert blote voeten boven spitzen. Als een leerling zich bezondigt aan een zwanendans, doet ze dat af als ‘balletterig’. De moderne dans symboliseert de nieuwe tijdgeest: expressionistisch in plaats van de ‘sentimentele ontroering en zoetelijke schoonheid’ dienend. Riefenstahl gaat ook bij Jutta Klamt en haar Mazdaznanbeweging in de leer. Klamt omarmt de moderne dans als een gezondheidsreligie waarmee het Arische ras zijn uitverkoren positie onder de volkeren weer kan innemen die het door rassenvermenging, slechte eetgewoonten en een verkeerde ademhaling verloren heeft. Toen al. Wanneer Riefenstahl door een knieblessure haar danscarrière moet opgeven, probeert ze na het zien van Berg des Schicks van Arnold Fanck als actrice aan de bak te komen. Fanck vergt het uiterste van zijn acteurs, fysiek en mentaal. Riefenstahl is een ijverige leerling, die zijn regie en cameravoering absorbeert. In 1932 richt ze haar eigen productiemaatschappij op. Haar eerste film, Das blaue Licht, valt in de smaak van Hitler. Ze moet weinig hebben van zijn schlemielige versierpoging tijdens een strandwandeling.  Zijn voorstel om hoffilmer van de partij te worden neemt ze wel in overweging, al veroordeelt ze de ‘rassenvooroordelen’ van de Führer, zo verzekert ze haar criticasters. De rest van haar leven zal ze die keuze voor het nationaal-socialisme moeten verantwoorden, en ze doet dat met verve. Riefenstahl is de eenzame protagoniste van de ‘nieuwe vrouw’ – economisch onafhankelijk, ongehuwd en kinderloos –  die in het boze mannenbolwerk van Goebbels en consorten alleen haar artistieke genie trouw blijft. Triumph des Willens, haar glorieuze verfilming van de Neurenbergse partijdag van de NSDAP in 1934, is haar knieval voor het regime, zodat ze haar levensproject – de ultieme bergfilm Tiefland – kan voltooien. Deze zorgvuldig geconstrueerde leugen bewaakt ze na de oorlog als een hellehond. Goebbels gaf haar juist alle ruimte om haar talent te ontplooien en contracteerde haar voor Olympia (en niet, zoals ze later beweert, het hoofd van het Olympisch Comité).  Over haar andere propagandafilms, Sieg des Glaubens (1933) en het schrikbarende Tag der Freiheit (1935), een ode aan de herbewapening van de Wehrmacht, zwijgt ze wijselijk. In 1939 waagt ze zich tijdens de Poolse veldtocht aan de oorlogsreportage, al vindt ze het genre platvloers, en is ze getuige van het bloedbad dat de Duitse troepen in Końskie aanrichten. Voor haar opnamen van Tiefland tijdens de oorlog gebruikt ze als figuranten Roma en Sinti, van wie het merendeel in Auschwitz wordt omgebracht. ‘Ze vertelden dat het filmen met ons de mooiste tijd van hun leven was geweest.’ In de jaren zeventig beleeft ze haar come-back. Amerikaanse feministen eren haar als een rolmodel, een ‘door haar prestaties triomferende soliste in een patriarchaal gedomineerde wereld.’ Alleen Susan Sontag wijst in Fascinating Facism op het esthetische verband tussen haar propagandafilms en haar fotoreportages van de Nuba in Afrika. Riefenstahl overleefde ‘de eeuw van de vrouw’ met glans. Ze was 101 toen haar hart eenvoudigweg  ophield met kloppen, zo maakte haar veertig jaar jongere levenspartner Horst Kettner via een perscommuniqué op 8 september 2003 wereldkundig.

Marlene Dietrich in Shanhai Express

‘Marlene, dat ben ik’

‘Hij heeft mij geschapen,’ zegt Marlene Dietrich over Joseph van Sternberg en hij beaamt dat. ‘Marlene, dat ben ik.’ Als hij een hoofdrolspeelster zoekt voor Der blaue Engel is hij vooral gegrepen door haar majestueuze onverschilligheid. De anderen proberen bij hem in het gevlij te komen, zij niet. Hij bewondert haar discipline. Dietrich laat zich volledig door hem ‘pygmalioniseren’.  Zij volgt Sternberg naar Hollywood, als zijn Elizabeth Doolittle en minnares. Beiden zijn getrouwd, maar ‘het erotische heeft weinig geweten en neemt snelle besluiten,’ aldus Sternberg. Hun relatie is allesverzengend. Bij Sternberg leidt die tot een echtscheiding, Dietrich peinst er niet over haar huwelijk met Rudi Sieber op te geven. In Morroco, hun eerste Amerikaanse speelfilm, vindt ze als Amy Jolly haar definitieve vorm. Dietrich betovert de wereld met haar androgyne verschijning. Na hun vijfde speelfilm, The Devil is A Woman, is de magie uitgewerkt en loopt hun relatie op de klippen. ‘De fantoompijn zal hen beiden hun leven lang begeleiden,’ aldus Wieland. De carrière van Dietrich raakt in het slop, ze wordt ingehaald door de jonge garde – Hedy Lamarr, Ingrid Bergman – maar na de aanval op Pearl Harbor ligt er een nieuwe glansrol voor haar in het verschiet. Ze bezoekt de troepen aan het front, vaak met gevaar voor eigen leven, en collecteert war bonds die de oorlog moeten financieren. ‘Ik ga op tournee om geld in te zamelen voor de bommen die op Berlijn vallen. Daar woont mijn moeder, van wie ik sinds het begin van de oorlog niets meer heb gehoord.’ De Amerikanen sluiten Dietrich weer in hun hart, Ernest Hemingway noemt haar in zijn brieven liefdevol ‘mijn Kraut’. Haar minnaar gedurende de oorlog is Jean Gabin, die zich bij de Vrije Franse Strijdkrachten van Charles de Gaulle heeft aangesloten. Dietrich heeft talloze verhoudingen, met mannen en vrouwen. Het patroon is vrij eentonig. Ze overstelpt hen met cadeaus en laat vervolgens niets meer van zich horen. Soms zijn de relaties van de duurzame soort, zoals die met Gabin, Erich Maria Remarque of Elisabeth  Bergner, die ze in 1935 leerde kennen. ‘Ik eet je ruik je smeer je in poeder olie zalf je en wat ik vergeten ben weet alleen ik,’ laat Bergner haar in 1955 nog per telegram weten. Dietrich toert dan de wereld rond met haar one woman show, de podiumkunst die ze zich tijdens de oorlog eigen heeft gemaakt. Het leven speelt zich vooral in hotelkamers af, met zo nu en dan een onderbreking op het landgoed van Rudi Sieber in Californië, haar echtgenoot. Voor Yul Brynner richt ze een geheim onderkomen aan Park Avenue in. Het liefdesnest ziet eruit als een bordeel, met spiegels aan de wanden en neonbuizen onder het bed. Een obsessieve relatie, die tot aan het einde van de jaren vijftig voortduurt. Haar muzikale carrière krijgt een nieuwe impuls met de komst van Burt Bacharach in haar leven. Of hun relatie alleen beroepsmatig was, heeft Bacharach altijd in het midden gelaten. In ieder geval is hij ‘de man die haar liedjes een ziel geeft.’ In 1960 bezoekt ze haar vaderland, omwille van het geld, zoals ze tijdens de persconferentie duidelijk maakt. In Düsseldorf wordt ze bespuugd en voor verraadster uitgemaakt, de concertzaal in Bad Kissingen moet ze via de achteruitgang verlaten. Twee weken later zet ze koers naar Tel Aviv. Ze heeft lak aan het verbod op de Duitse taal dat voor het podium geldt en brengt de zaal in vervoering met Mein blondes Baby, het wiegeliedje dat ze van haar moeder heeft geleerd.  ‘It was like a catharsis that freed them,’ volgens Bacharach. Daarna kiest ze voor de luwte. Als Maximilian Schell in 1984 een documentaire met haar wil maken, weigert ze in beeld te komen. Hij moet het doen met haar stem. Ze bedekt haar hoofd met een theedoek wanneer de paparazzi haar hotel in Parijs binnendringen. Het is een strijdbare onzichtbaarheid. In 1987 publiceert Leni Riefenstahl haar memoires, waarin ze beweert dat ze een innige vriendschap onderhield met Erich Maria Remarque en Joseph von Sternberg. Dietrich klimt in de pen en laat in een ingezonden brief weten dat Remarque en Sternberg zich zouden hebben doodgelachen over die leugen, als ze niet al dood waren geweest. Onder intimi noemt ze Riefenstahl een ‘rijksgletsjerspleet’.

Eigenlijk hadden de vrouwen weinig met elkaar gemeen, waardoor zo nu en dan de vraag rijst waarom Karin Wieland voor de vorm van de dubbelbiografie heeft gekozen. Wat niet wegneemt dat ik haar boek ademloos heb uitgelezen. De flamboyante levens van Leni Riefenstahl en Marlene Dietrich vervoeren de lezer, niet in het minst door de intelligente verteltrant van hun biografe.

Dietrich en Riefenstahl. Twee vrouwenlevens in Hollywood en Berlijn
Karin Wieland
Uitgeverij Atlas Contact
ISBN 9789045021966
Verschenen mei 2013

Bestelinformatie

Bestel hier als paperback bij bol.com (€ 49,95)

DELEN
Eric Palmen

Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here