John Julius Norwich en de pausen

Het veroorzaakt altijd enige consternatie als een paus zich onomwonden begaan toont met de armen in de wereld. ‘In de huidige industriële samenleving is een klein aantal zeer rijke mensen in staat geweest een groeiende massa arme arbeiders een juk op te leggen dat weinig beter is dan slavernij.’ Deze woorden hadden afkomstig kunnen zijn van de onlangs aangetreden paus Franciscus I, maar ze zijn van Leo XIII (1878-1903). In tegenstelling tot Franciscus stond Leo XIII erop om met een uitputtende trits égards behandeld te worden en hij schijnt in vijfentwintig jaar zelfs nooit een woord met zijn koetsier te hebben gesproken. Tegelijkertijd heeft hij de katholieke kerk vaardig door een extreem ingewikkelde periode geloodst. Het zijn dit soort tegenstellingen en paradoxen die John Julius Norwich met duidelijk genoegen opdiept en ontleedt: competent leiderschap hoeft niet gepaard te gaan met een sympathiek karakter of het nastreven van rechtvaardigheid. Het is een menselijke neiging om het goede en het schone even sterk met elkaar te associëren als hun tegendelen, en ook Norwich heeft zo zijn helden en schurken, maar vooral wemelt het in zijn boek van de pausen die oerlelijk zijn maar charismatisch (Gregorius VII), rechtschapen maar besluiteloos (Clemens XI), decadent maar verlicht (Sixtus IV). Wat duidelijk wordt uit De Pausen is dat het instituut ondanks haar fossiele imago in tweeduizend jaar constant in verandering is geweest, en het is nog niet makkelijk om constante factoren aan te wijzen. De eerste paar honderd jaar is de kerk meer een vereniging met sektarische trekjes dan een instituut, moet de kerstening van Europa nog plaatsvinden en is Rome een heidense stad in verval. Rome werd in feite pas vanaf de 16e eeuw – als reactie op de reformatie – van voldoende cachet voorzien om er een stad een paus waardig (van pauselijke waardigheid?) van te maken. Ook in andere opzichten lijkt de contrareformatie en de ‘meedogenloze zeventiende eeuw’ het pausdom in belangrijke mate te hebben gevormd, en te hebben bijgedragen aan het vinden van identiteit en zelfvertrouwen.

John Julius Norwich (1929) studeerde Russisch en Frans, maar nooit geschiedenis. Toch lijkt hij in veel andere opzichten de juiste man voor de klus. Hij begon zijn werkend bestaan in de Britse diplomatieke dienst, en hij heeft een zeer scherp oog voor de dynamiek van machtsverhoudingen. Hij ontmoette zelfs enkele pausen, al was dat in het geval van Johannes Paulus I vóór zijn verkiezing. Norwich komt oorspronkelijk uit wat je toch wel een upper class milieu mag noemen; zijn eigenlijke naam is John Julius Cooper, tweede burggraaf (viscount) van Norwich – een titel die tot 1999 lidmaatschap van het Hogerhuis verleende. Zijn vader was de eerste viscount Norwich, maar de familie had via Norwich’ grootmoeder al wortels in diverse oudere adellijke families. Norwich volgde zijn opleiding – na oorlogsevacuatie naar Canada – op Eton en Oxford. Daarbij moet overigens aangetekend worden dat hij door het overenthousiaste uitgavenpatroon van zijn ouders altijd zijn eigen broek heeft moeten ophouden. Norwich heeft inderdaad niet stilgezeten: in 1964 verliet hij de diplomatieke dienst om te gaan schrijven en hij publiceerde sindsdien meer dan twintig boeken, waaronder geschiedenissen van Byzantium, Venetië en Normandisch Sicilië. Ondertussen maakte hij voor de BBC radio- en televisieprogramma’s, waaronder een groot aantal historische documentaires.

Het is goed te merken dat Norwich gewend is te schrijven voor een breed publiek, maar hij maakt zich er niet gemakkelijk vanaf. Hij heeft niet alleen oog voor smakelijke anekdotes, maar ook voor de tragiek van elke machthebber: de onvermijdelijkheid van de eigen ondergang, vaak ingeluid door een ogenschijnlijk triviale gebeurtenis – een vroeg invallende winter, een kleine speling van het lot. Zo suggereert hij dat het grote schisma tussen de westerse en orthodoxe kerk, daterend uit 1054 en voortdurend tot vandaag de dag, in 1455 opgelost had kunnen worden. Tenminste: als de keuze van het conclaaf was gevallen op de energieke kardinaal Bessarion, ‘met grote afstand de meest intelligente en de meest kundige kerkleider in Rome’. Bessarion was namelijk een bekeerde Griekse geestelijke met een inmiddels zeer onberispelijke staat van dienst als katholiek. Bovendien gold in zijn voordeel dat hij geen banden had met de belangrijkste Romeinse families, die ook altijd een vinger in de pap wilden bij de verkiezing van een nieuwe paus. Een aantal kardinalen vond zijn achtergrond echter een brug te ver – dat was in elk geval hun excuus – en zodoende viel de keuze op een bejaarde Catalaanse vrek; Alfonso de Borja. Hij werd Callixtus III, de eerste Borgia -paus.

Norwich’ Britsheid is bij vlagen duidelijk terug te vinden in zijn boek. Het uit zich onder meer in een voorliefde voor Edward Gibbons achttiende-eeuwse The History of the Decline and Fall of the Roman Empire – niet actueel, maar vol schitterende beschrijvingen van immoreel en liederlijk gedrag in het Rome van de late oudheid. Ook staat Norwich stil bij de toedracht van het besluit van Gregorius de Grote (590-604) om een missie naar de Angelen te sturen, zoals beschreven door de Angelsaksische monnik Beda Venerabilis. Alle Engelse kinderen van zijn generatie kregen dit op school. Norwich weet dat je een goed verhaal niet moet laten verpesten door de waarheid. Hij lost dit elegant op door smeuïge geruchten eerst in alle aannemelijkheid te beschrijven, ze vervolgens met argumenten te ontkrachten, om ten slotte te concluderen dat we er nooit het fijne van zullen weten. Meestal houdt Norwich zich bij de bewezen intriges, waar er meer dan voldoende van zijn: moordcomplotten, ‘ongelukken’ en verraad. Daarnaast geeft hij epidemieën de aandacht die ze verdienen. Vooral malaria kostte een aantal pausen het leven: de Pontijnse moerassen ten zuidoosten van Rome waren tot in de twintigste eeuw een bedreiging voor de volksgezondheid. Maar ook pest, pokken en syfilis laten hun sporen na. De laatste is voor elke geestelijke een genante aandoening, maar eind vijftiende eeuw, toen de eerste gedocumenteerde syfilisepidemie in Europa begon, was het voor een paus niet ongebruikelijk om één of meer buitenechtelijke kinderen te hebben. Syfilis eist niet alleen het leven van paus Julius II, maar het is ook een nagel aan de doodskist van de zoon van paus Alexander VI, Cesare Borgia.

Norwich is prettig zakelijk over de moeizame verhouding die de kerk door de eeuwen heen met seksualiteit heeft gehad. Het celibaat is tot in zestiende eeuw maar bij vlagen in zwang en werd vaak slechts op papier beleden. Diverse pausen zijn homoseksueel – waarbij de westerse kerk zich erop liet voorstaan in elk geval geen euneuchen op de hoogste post aan te stellen, zoals in Constantinopel wel het geval was. In dit licht moet misschien ook het ooit vrij algemeen geaccepteerde verhaal over paus Johanna worden gezien: in een omgeving met castraten en androgyne geestelijken én in een notoir slecht gedocumenteerde periode was een vrouwelijke paus net niet helemaal ondenkbaar. Uit het boek wordt duidelijk dat de receptie van ‘onoirbaar gedrag’ in sterke mate afhangt van de dader en de uitkomst. Neem nepotisme: Paulus IV (1555 -1559) – insteller van de Index, Jodenvervolger – heeft twee achterbakse neefjes aan een positie geholpen en moet het vreselijk berouwen. Zijn opvolger Pius IV echter stelt een neef aan tot kardinaal en blijkt het enorm te hebben getroffen met deze Carlo Borromeo, die zich ontpopt tot een vaardig bestuurder, een groot hervormer en later zelfs tot heilige. Naarmate de afstand tot het heden kleiner wordt, kiest Norwich zijn woorden voorzichtiger bij complotten en opvallende sterfgevallen en mijdt hij sensatie. Hij gaat bijvoorbeeld slechts beknopt in op de vermeende vergiftiging van paus Johannes Paulus I in 1978, en verwijst hij naar andermans werk voor lezers die meer willen weten. Hij eindigt met een evaluatie van Benedictus XVI, die nog ferm in het zadel leek te zitten toen het boek in 2011ter perse ging. Norwich constateert dat Benedictus de verwachtingen niet heeft kunnen waarmaken en onbegrijpelijke keuzes heeft gemaakt door het condoomverbod te handhaven in tijden van aids, andere religies tegen de kerk in het harnas te jagen en de misbruikschandalen binnen de kerk te laten voortzieken. Hoewel hij concludeert dat de kerk desondanks succesvol moet zijn omdat zij tweeduizend jaar bestaat en twee miljard gelovigen telt, klinkt dat evenwel weinig vreugdevol.

Er is veel af te dingen op De Pausen. Een geschiedenis. Het boek schiet in de diepte tekort, wat vooral opvalt in de hoofdstukken over de de laatste twee eeuwen.  Norwich behandelt een slordige 300 pausen (en tegenpausen) in 519 bladzijdes – dat is gemiddeld ongeveer 0,6 bladzijde per paus. Door de invalshoek blijft de wereldgeschiedenis iets wat zich aan de andere kant van het venster afspeelt. Volksverhuizingen, epidemiën, de reformatie, de Verlichting, revolutie, de Tweede Wereldoorlog: steeds is de aandacht gericht op een bestuurder en de dynamiek van de mensen met wie hij zich omringt. De situaties en de dilemma’s doen, ondanks Norwich’ oog voor saillante details, op den duur inwisselbaar aan. Norwich tracht duidelijk weerstand te bieden aan historische bijziendheid, maar het is onvermijdelijk dat vroege pausen minder ruimte krijgen dan de meest recente. Over die laatste categorie is nou eenmaal veel meer bekend en ze staan dichter bij ons. Onbekend is niet hetzelfde als oninteressant. Ook in het holst van de vroege Middeleeuwen gebeuren de meest verbazende dingen: de barbaar Theodorik, die aan het einde van de vijfde eeuw met adembenemend wreed verraad in Italië aan de macht komt, ontplooit zich tot een heerser van ongekende vrede en voorspoed; het lichaam van paus Formosus (891-896) wordt na zijn dood opgegraven, aangekleed en berecht; in diezelfde eeuw verzint in Constantinopel de geleerde Photius uit pure meligheid een absurd ketters leerstuk om zijn bekrompen patriarch in het hemd te zetten. In feite is het onderwerp te groot om er een prettig leesbaar boek met een kop en een staart over te schrijven. Het is verrassend dat het resultaat desondanks zo leesbaar is – interessant en vaak hoogst vermakelijk. De Pausen. Een geschiedenis geeft geen blijk van diepgravend oorspronkelijk onderzoek en schiet in zijn uitleg van complexe theologische kwesties tekort. Maar dat was ook niet de bedoeling van Norwich. Zijn zelfkennis en gezonde mate van zelfspot sieren hem: in interviews verkondigt hij graag dat hij bij het onderzoeken van zijn boeken nog nooit een nieuw inzicht boven tafel heeft gekregen, maar dat hij het als zijn taak ziet om de lezer te enthousiasmeren. Dat is hem gelukt.

De pausen
John Julius Norwich
Uitgeverij Bert Bakker
ISBN 9035140303
Verschenen februari 2013 (goedkope herdruk)

Bestelinformatie

Bestel hier als paperback bij bol.com (€ 15,00)

DELEN
Maike Lasseur
Maike Lasseur is historica, afgestudeerd in de geschiedenis van de middeleeuwen. Ze is werkzaam in de audiovisuele sector, en schreef onder andere voor EYE Filmmuseum.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here