Herman Bianchi, criminoloog

Herman Bianchi heeft zijn leven lang tegen het gevangeniswezen gestreden. Hij is onze belangrijkste abolitionist, in Nederland zo’n beetje de grondlegger ervan. Zijn Ethiek van het straffen sloeg in 1964 in als een bom. Daarin beweerde Bianchi: “Een strafrechtpleging die de verdachte niet als gelijkwaardig erkent, zal waarschijnlijk nooit de gerechtigheid bereiken.” Gerechtigheid is een kwestie van debitum, niet van culpa. In de Bijbelse notie van “schuld” gaat het om wederkerigheid, “weergoedmaking” – een oog voor een oog, een tand voor een tand. In de Grieks-Romeinse betekenis van het woord staat vervolging en straf centraal. De rechterlijke macht spijkert de dader als het ware op zijn misdaad vast en heeft het slachtoffer buitenspel gezet. Bianchi ijvert voor herstelrecht, dader en slachtoffer moeten tot een vergelijk zien te komen, waarin de schuld als een stoornis wordt opgeheven. Dat is in een notendop de kern van zijn denken.

Kees Sluys waagt zich met Herman Bianchi en zijn levenslange strijd voor gerechtigheid aan een portret van onze “meest radicale” criminoloog, zoals de achterflap triomfantelijk vermeldt.

Bianchi kwam in het voorjaar van 1944 op negentienjarige leeftijd in Kamp Amersfoort terecht, nadat hij tijdens een razzia was opgepakt in Amsterdam. In interviews en een autobiografische roman noemt hij de traumatische kampervaringen in het Durchgangslager van Joseph Kotälla bepalend voor zijn leven en denken. Hij gunde het zijn ergste vijand niet, opsluiting, en zag werkelijk geen heil in welke vorm van detentie dan ook. Recidivecijfers bewijzen de noodzaak van een andere aanpak van criminaliteit. De gevangenis is een universiteit van de misdaad.

Over een ander aspect van zijn leven is Bianchi minder uitgesproken. Er hebben nogal wat “geestelijke vaders” zijn levenspad doorkruist, te beginnen met de homoseksuele kunstschilder Dolf Henkes in 1943, die hem wegwijs maakte in de wereld van de kunst en de muziek. “Voor mij was Dolf een soort vader, hij was 45, ik was een jongen van negentien. Het was oorlog, er was weinig te beleven.” Enkele maanden na de bevrijding leerde hij Piet Meertens kennen, zijn “peetvader”. De woning van Meertens aan de Prinsengracht werd een toevluchtsoord en vanaf 1958 zijn permanent verblijf. J.J. Voskuil laat er in Het Bureau, waarin Meertens opduikt als Anton P. Beerta en Bianchi als Karel Ravelli, geen misverstand over bestaan. Ze waren een stel. Bianchi ontkent in alle toonaarden: “Meertens heeft me nooit aangeraakt.” Ook zijn vriendschap met Per Jordal, met wie Bianchi ruim dertig jaar heeft samengewoond, was niet seksueel van aard. Dus had het niets met “homophilie” te maken, want: “Homo is seks,” aldus Bianchi. Voor een generatie waarin homoseksualiteit nog als een deviante geaardheid werd aangemerkt is die benepen houding wellicht te begrijpen, maar de militante strijdbaarheid van onze meest radicale criminoloog verdween als sneeuw voor de zon wanneer de homofiele medemens op de agenda stond. Bianchi had wel begrip voor de ergernissen van Gerry van der List toen die zich in de Volkskrant uitliet over de Gay Games in Amsterdam (1998). Van der List stelt in een column voor dat de “elkaar aflebberende homo’s” zich uit het publieke domein terugtrekken “in hun darkrooms, waar ze zich anoniem en ongestoord kunnen overgeven aan hun troosteloze liefhebberijen” want “opgeruimd staat netjes.” Bianchi was er een warm voorstander van dat de kast gesloten bleef. De sportende heren van de herenliefde moesten een voorbeeld nemen aan de discretie van David en Jonathan uit het Oude Testament. (De sportende dames van de damesliefde kwamen in zijn wereldbeeld niet voor – in dat van Gerry van der List trouwens ook niet). En dan komt ‘ie: “Ik heb een vreselijke hekel aan de uitdrukking ‘moral majority’ maar, goddank, leeft het merendeel der homoseksuelen ook nu op ingetogen wijze: gelukkig maar. Juist, omdat ze ingetogen zijn en dat ook met een blij hart willen zijn, ziet niemand iets aan ze. En ze willen niets liever dan juist dat.” Bianchi meent recht van spreken te hebben, want hij werkte al mee aan De homoseksuele naaste in 1961, “de eerste, aan homoseksualiteit gewijde, emancipatoire studie van reformatorische zijde.” Ook daarin heeft hij het over de “aangepaste homoseksueel” in de derde persoon enkelvoud, die “zijn bijzonderheid aan niemand (laat) blijken, bang als hij is voor zijn bestaanszekerheid.” Kees Sluys vraagt zich in arren moede af: “Was het ook de hoogleraar die vreesde?”

Volgens Willem de Haan, een van zijn jongere medewerkers, moet je twee dingen van Bianchi weten om hem te begrijpen. “Ten eerste dat hij religieus geïnspireerd is. En dat hij homoseksueel is, en diep doordrongen van homodiscriminatie en het gevaar dat homo’s altijd weer lopen door de geschiedenis heen. Dat kun je wetenschappelijk sublimeren naar deviantie en deviantietheorieën en reactie op deviantie…zo wordt dat dan allemaal theoretisch ingebed, maar dat is waar het over gaat.” Wat toch de vraag oproept waarom Bianchi zo om de hete brij heeft heen gedraaid. Hoe kon hij zoveel strijdlust voor de rechten van de delinquent paren aan zoveel angstvallige schroom ten aanzien van zijn seksuele geaardheid? In dat opzicht heeft collega Ronnie Dessaur veel meer voor de homo-emancipatie in Nederland betekend.

Kees Sluys schreef in 2012 in opdracht van Atlas Contact een biografie van Mart Smeets, nadat een eerdere scribent in de ogen van de uitgeverij en Smeets zelf jammerlijk had gefaald. Ook dit lijkt een boek in opdracht, van de Bianchi Herstelrecht Stichting neem ik aan, maar dat wordt uit de tekst niet duidelijk. Een verantwoording ontbreekt, het blijft gissen naar de motieven van Kees Sluys om juist het verhaal van Herman Bianchi te vertellen. Het boek oogt hier en daar ongeïnspireerd, met ellenlange citaten en veel uitgeschreven bandopnamen met geïnterviewde concullega’s van Bianchi.

Herman Bianchi en zijn levenslange strijd voor gerechtigheid
Kees Sluys
Uitgeverij Bas Lubberhuizen
ISBN 9789059374287
Verschenen in november 2015

Bestelinformatie

Bestel hier als paperback bij bol.com (€ 24,99)

Koop bij bol.com

DELEN
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here