Jan de Quay. Een herbezinning?

Jan de Quay

Jan de Quay is, met Louis Einthoven en Hans Linthorst Homan, leider geweest van de grootste politieke beweging die Nederland ooit heeft gekend: de Nederlandse Unie. In het najaar van 1940 telde de beweging 600.000 leden, en dat is nog een conservatieve schatting ook. (De ledenadministratie kon het succes van de Nederlandse Unie niet aan). Het partijblad groeide uit van 100.000 abonnees in augustus 1940 naar 700.000 in het voorjaar van 1941. Het verhaal is bekend. De Nederlandse Unie wilde een alternatief bieden voor de verfoeide NSB en een samenbindend element zijn in een maatschappij die door de bezetting was verdoofd en gedesoriënteerd. De beweging streefde naar vernieuwing: de vooroorlogse verzuilde verhoudingen moesten plaats maken voor eendracht en gemeenschapszin. Samenwerking met de bezetter was onoverkomelijk, maar dan wel met behoud van de nationale eigenheid. De Quay voelde zich geroepen in de bestuurlijke lacune die de koningin en regering met hun vlucht naar Engeland hadden achtergelaten een leidende rol te vervullen. Hij was het zijn stand verplicht. De voorzaten behoorden al eeuwenlang tot het Brabantse patriciaat – Johanna Elisa Rosa van de Mortel, zijn moeder, kwam eveneens uit een familie van bestuurders en notabelen.

Een doener

Het was zijn dadendrang in de eerste jaren van de bezetting die hem zijn leven lang zou worden nagedragen. Dat is althans de belangrijkste conclusie van Cees Meijer in Jan de Quay (1901-1985). Een biografie. De Quay was een man met de beste bedoelingen, eerder een bestuurder dan politicus, nogal naïef wat zijn mensenkennis betrof (hij ging ervan uit dat iedereen net zo rechtschapen en godvrezend was als hij) en bepaald geen uitgesproken visionair. Sociaal verantwoordelijkheidsgevoel paarde hij aan strijdvaardigheid. “De Quay had meer oog voor het maximaal haalbare op de korte termijn dan dat hij een man van de lange adem was,” aldus Meijer. Kortom, meer een doener dan een denker. Zo kon het gebeuren dat hij voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in de verplichte arbeidsdienst een oplossing voor de jeugdwerkloosheid zag, gecharmeerd was van het corporatisme dat aan de heersende sociaaleconomische verhoudingen een einde moest maken en zich niet al te zeer gehecht had aan de parlementaire democratie. De knieval voor de Duitse bezetter noemde hij “camouflagepolitiek”, aanpassingen in het stramien van ‘voor wat, hoort wat’. De Unie riep zijn leden op niet deel te nemen aan de illegaliteit, prees de Winterhulp aan en de Opbouwdienst, voorloper van de Nederlandse Arbeidsdienst. Na de Februaristaking in 1941 geloofde hij niet langer in het welslagen van zijn politieke beweging. Hij had moeite met de wel heel erg pro-Duitse houding van Linthorst Homan. Die geloofde publiekelijk in de eindoverwinning van het Derde Rijk en stond open voor samenwerking met de NSB. De Quay hoopte van harte dat de Nederlandse Unie door de bezetter ontbonden zou worden. Er de brui aan geven kon hij niet. Daarvoor was zijn loyaliteit aan de overige leden van het driemanschap te groot. Het verbod op de Nederlandse Unie van 14 december 1941 kwam als een verlossing. Ruim een half jaar later behoorde De Quay tot de gijzelaars van Sint-Michielsgestel, waar hij de fine fleur van de Nederlandse bestuurselite tegenkwam. Politici als Willem Drees, Wim Schermerhorn en Willem Banning debatteerden in allerlei gremia over de toekomst van het naoorlogse Nederland. De Quay was geen uitgesproken figuur in dat gezelschap, maar werd wel enigszins geïnspireerd door de doorbraakgedachte en het personalistisch socialisme dat door Banning in het kleinseminarie werd geëtaleerd.

Restauratie

Maar zijn gezagsgetrouwheid aan het episcopaat was groter dan zijn vernieuwingsdrang. De bisschoppen drongen al in 1944 op herstel van de vooroorlogse verhoudingen aan, wat op de eerste plaats een terugkeer van de RKSP behelsde. Zij waren bevreesd voor een al te grote invloed van Wilhelmina, die niet bepaald gecharmeerd was van het katholieke volksdeel onder haar onderdanen. Hoewel De Quay tot de oprichters van de Nederlandse Volks Beweging hoorde, die de doorbraak gestalte moest geven, koos hij uiteindelijk voor de KVP. Meijer schrijft het mislukken van de doorbraak niet alleen op het conto van De Quay. Ook Drees had daarin zijn aandeel. Die had een zekere aversie tegen De Quay en stuurde aan op het behoud van de identiteit van de SDAP, wat uiteindelijk zou resulteren in de oprichting van de PvdA.
Als Commissaris van de Koningin in Brabant brak wellicht de gelukkigste periode in het leven van Jan de Quay aan. In ieder geval kwamen zijn bestuurlijke kwaliteiten ten volle tot hun ontplooiing. Hij stond aan de wieg van de Technische Hogeschool in Eindhoven, het Brabants Orkest en Het Zuidelijk Toneel. Hij lobbyde onvermoeibaar voor de Brabantse belangen in Den Haag. Noord-Brabant industrialiseerde in een rap tempo en vond in het katholicisme zijn bindende factor.

Kabinet-De Quay

Toen De Quay in 1959 genoemd werd als toekomstig premier van Nederland, hoopte hij hartstochtelijk dat die beker aan hem voorbij zou gaan. Maar de KVP wilde een apolitiek boegbeeld voor het nieuwe kabinet, dat de rooms-rode coalitie van het tijdperk Drees moest doen vergeten en frank en vrij met de VVD kon regeren. Het werd een werkgeverskabinet. Ook riep historicus Pieter Geyl, prominent lid van de PvdA, het oorlogsverleden van de premier in herinnering. De Quay was diep ongelukkig, innerlijke twijfel over zijn capaciteiten verscheurde hem. “Wat een prul ben ik,” bekent hij aan zijn dagboek, wanneer hij in de Nieuw-Guinea-kwestie een uitglijder heeft gemaakt. Het kabinet stelde zich op het standpunt dat aan het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s niet kon worden getornd, koste wat het kost. (Bij een militaire confrontatie zouden de Verenigde Staten Nederland steunen, zo verzekerde Minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns zijn confraters in het kabinet). Tijdens een persconferentie zette De Quay de deuren wagenwijd open voor een “internationalisering” van het conflict: de arbitrage van de Verenigde Naties. De Ministerraad had hij in dat standpunt niet gekend. Deed hij dat doelbewust of had hij zijn mond voorbij gepraat? In ieder geval bleek de zogenaamde militaire steun van de Verenigde Staten aan Nederland wishful thinking van Luns te zijn. De Nederlandse ambassadeur in de Verenigde Staten Herman van Roijen bracht die boodschap, bevestigd door Robert Kennedy tijdens zijn bezoek aan Nederland in 1962. De overdracht van Nieuw-Guinea werd een van de belangrijkste wapenfeiten van het kabinet-De Quay.

Levenslang

Al kort na de Bevrijding werd het functioneren van De Quay in de Nederlandse Unie ter discussie gesteld. Toen De Quay genoemd werd als formateur van het eerste naoorlogse kabinet stuitte dat op het nodige protest van PvdA-coryfee en oud-verzetsstrijder Gerrit Jan van Heuven Goedhart. Die noemde De Quay een “Appeaser”, een scheldwoord zo net na de oorlog. Voormalige verzetskranten als Trouw, Vrij Nederland en De Waarheid hadden kritiek op zijn benoeming tot Minister van Oorlog in het Derde Kabinet-Gerbrandy. In Onderdrukking en verzet, het eerste overzichtswerk van Nederland in de Tweede Wereldoorlog, hekelde Willem Drees het gebrek aan samenwerking met de bestaande partijen en de zogeheten camouflagepolitiek van de Nederlandse Unie.
De grote storm moest toen nog komen. Die stak met de uitzending van De bezetting op, de fameuze televisieserie van Loe de Jong waarmee hij het Nederlandse volk over goed en fout van de oorlogsjaren onderrichtte. Bij de behandeling van de Nederlandse Unie kwam Pieter Geyl weer aan het woord. Tegengas was er niet. Het driemanschap weigerde zijn medewerking aan de serie te verlenen. De Quay werd bij de protestjeugd van de jaren zestig het symbool van het rechtse establishment dat tijdens de oorlog passief had toegekeken.

Nadagen

In de herfst van zijn leven ontpopte De Quay zich als een aartsconservatieve katholiek die met lede ogen aanzag hoe het episcopaat meedeinde met de veranderende tijden. Van de nieuwlichterij in de kerk, zoals die van studentenpastor Huub Oosterhuis, moest hij niets hebben. Toen hij in 1979 de bisschoppen passeerde in een brief aan paus Johannes Paulus II, waarin hij het verval van het geloofsleven in Nederland aan de kaak stelde, zorgde dat voor tweespalt in zijn gezin. De ruzie maakte hem somber, zoals al zijn nadagen in een zekere zwaarmoedigheid waren gedrenkt. Op 4 juli 1985 overleed Jan de Quay, 83 jaar oud.

Jan de Quay is een meeslepende en goed geschreven biografie waarin Cees Meijer opmerkelijk mild is voor zijn onderwerp. De keuzes van De Quay in de eerste oorlogsjaren schrijft Meijer toe aan een zekere naïviteit en dadendrang, ingegeven door het standsbewustzijn dat hij van huis uit had meegekregen. Ook de historische context van de eerste oorlogsjaren spreekt in het voordeel van De Quay. De Duitse bezetter moest zijn ware gezicht nog tonen. Wat niet wegneemt dat De Quay wel heel erg in bescherming wordt genomen tegen de linkse criticasters die zijn doen en laten hebben becommentarieerd. Genoeg stof tot discussie en tot een herbezinning van de figuur De Quay. Alleen al daarvoor verdient Cees Meijer alle lof. In de reeks van Nederlandse premierbiografieën die de afgelopen jaren verschenen zijn, is Jan de Quay (1901-1985). Een biografie een mooie aanwinst.

Jan de Quay (1901-1985). Een biografie
Cees Meijer
Uitgeverij Boom
ISBN 9789461055552
Verschenen in september 2014

Bestelinformatie

Bestel hier las hardcover bij bol.com (€ 34,90)
Bestel hier als E-book bij bol.com (€ 20,90)

DELEN
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here