François van ’t Sant, dienaar van God, vaderland en Oranje

François van't Sant

François van ’t Sant was negen toen zijn vader stierf. Laurens van ’t Sant, predikant van de hervormde gemeente, bezweek tijdens zijn zending door Nederlands-Indië aan de cholera. Voor het gezin betekende de dood van de kostganger een flinke aderlating. Studeren zat er voor de jonge Van ’t Sant niet meer in. Hij maakte de ULO af, en liet het daarbij. Van ‘t Sant aanvaardde zijn lot zonder morren. Een oefening in deemoedigheid, toen al.

Sytze van der Zee waagt zich niet aan dit soort psychologische bespiegelingen in Harer Majesteits loyaalste onderdaan. François van ’t Sant 1883-1966, wellicht met het idee dat je zoiets gerust aan de lezer kan overlaten. Wat bezielde de man die veertig jaar lang de misstappen van de Oranjes met de nodige zelfopoffering onder het tapijt heeft geveegd en – wanneer dat eens niet dreigde te lukken – de schande stilzwijgend op zich nam? Hij was, aldus oorlogspremier Pieter Gerbrandy, “een trouwe waakhond van het Koninklijk Huis”, de deurmat van de familie. “Het Huis van Oranje veegt zijn vuile voeten aan hem af.” Een streber was hij ook. Van ‘t Sant wilde hogerop komen bij de politie toen hij daar in 1906 een positie had verworven.

Hij leerde de kneepjes van het vak tijdens de Eerste Wereldoorlog op neutraal terrein. Nederland, met name Rotterdam, was een spionnennest. De Britten zagen in de havenstad de toegangspoort tot Europa, de Duitsers brachten vooral de scheepsvrachten in kaart, prooi voor hun U-boten. Van ’t Sant werd in Rotterdam als hoofd van de politie-inlichtingendienst aangesteld, en bleek een getalenteerde intrigant te zijn die de verschillende inlichtingendiensten tegen elkaar wist uit te spelen. Zo verschafte hij de Franse autoriteiten de nodige munitie voor de veroordeling van Margaretha Geertruida Zelle, Mata Hari, al blijft zijn rol schimmig.

De koninklijke familie in 1918. Bron: Nationaal Archief

Santjong-zaak

Rond 1920, toen hij inmiddels was opgeklommen tot hoofdcommissaris in Den Haag, polste koningin Wilhelmina hem voor een vertrouwenspositie. Hare majesteit zat behoorlijk in haar maag met de escapades van haar schuinsmarcherende echtgenoot, en vroeg Van ’t Sant een oogje in het zeil te houden. Hij weifelde, want hij wist dat hij zich vroeg of laat in een wespennest zou steken. Zijn grenzeloze loyaliteit bracht hem in opspraak. De netelige affaire heet de “Santjong-zaak”. Erfgenamen van jhr. C.G.W.F. van Vredenburch vermoedden frauduleus handelen toen Van ’t Sant de ware identiteit van ene Elisabeth le Roi niet wist te onthullen die beweerde het liefje van de voormalige gezant in België te zijn. De hoofdcommissaris van politie had voor de Brusselse onderhandeld, vanwege een buitenechtelijk kind dat de jonkheer bij haar had verwekt. Nadat Van Vredenburch op 4 december 1927 vrij plotseling overleed, legde Van ’t Sant de rekening bij de erfgenamen neer. Toen de familie de dame in kwestie weleens in levende lijve wilde ontmoeten of papieren bewijsstukken van haar bestaan vroegen, wist Van ’t Sant die niet te geven. Had hij het smartengeld in eigen zak gestoken? Of in Huize Wedekind, zijn prestigieuze villa aan de Nieuwe Parklaan, waarvan menig Hagenaar zich tijdens de zondagochtendwandeling afvroeg hoe hij zich die permitteren kon? Van ’t Sant wilde geen openheid van zaken geven omdat hij daarmee de ware identiteit van de vader moest onthullen, prins Hendrik. Het koninklijk paar aanvaardde de cover up in dankbaarheid, de NSB riep schande van de regentenkliek en zag zich weer eens bevestigd in haar “afkeer van het democratische stelsel”, maar de reputatie van Van ’t Sant was voorgoed naar de maan. Opgeofferd voor “God, vaderland en Oranje.”

Londen

Wilhelmina beloonde haar trouwe onderdaan. In Londen werd hij tijdens de Bezetting haar belangrijkste raadgever. Die bond werd nog versterkt door zijn plechtige belofte dat zij niet levend in handen van de vijand zou vallen, mochten de Duitsers het Kanaal oversteken. Van ’t Sant zou persoonlijk de trekker overhalen, Bernhard wist van de afspraak. Wilhelmina stelde zich voor dat haar volk massaal in opstand zou komen wanneer ze in de strijd gevallen was. Van ’t Sant kreeg in het begin van de oorlog een belangrijke rol in het opzetten van een inlichtingendienst. Toen Radio Oranje op 28 juli 1940 zijn uitzendingen begon, concludeerde de regering in ballingschap dat ze bar weinig wist over de situatie in het geknechte vaderland. De eerste agent die werd uitgezonden was luitenant-ter-zee Lodo van Hamel, die slachtoffer werd van de buitengewoon knullige voorbereidingen van de geheime operatie. (Van Hamel werd in oktober 1940 gearresteerd, en op 16 juni 1941 gefusilleerd). Het debacle van het Englandspiel versterkten de geruchten dat er in Londen een verrader rondliep, een gerucht dat de Duitsers tijdens hun ondervragingen van de gearresteerde agenten maar al te graag bevestigden. De overtuiging groeide binnen het verzet dat Van ’t Sant het lek was. Was hij niet de rasopportunist die zich in de jaren dertig persoonlijk had verrijkt door imaginaire dames te verzinnen? De schimmige rechterhand van Wilhelmina werd de meest gehate man in Londen – Engelandvaarders namen zich voor hem te liquideren. De geruchten waren zo sterk dat op een gegeven moment zelfs Gerbrandy ging geloven in de dubbelrol van Van ’t Sant, ook Wilhelmina nam schoorvoetend afstand van hem. In de zomer van 1943 stortte Van ’t Sant in, de roddel en achterklap waren hem teveel geworden. Tijdens de glorieuze terugkeer van de koningin naar het bevrijde vaderland, behoorde Van ’t Sant niet tot haar gevolg. Ze liet de trouwe vazal als een baksteen vallen. Voortaan wilde ze zich alleen omringd zien door de nieuwe fine fleur van de natie, “edelen in de volle zin des woords”, Engelandvaarders en kopstukken van de illegaliteit. Zij moesten “de vernieuwing” vormgeven. Toen Van ’t Sant haar vroeg wat die inhield, sneerde ze: “Dat u dit vraagt, betekent al dat u niet vernieuwd bent.” Exit Van ’t Sant.

Coup

Maar niet helemaal. Toen haar nieuwe adjudant, Erik Hazelhoff Roelzema, Van ’t Sant op 14 april 1947 informeerde dat hij met de kliek van oud-premier Gerbrandy en lieden uit het Westlands verzet een staatsgreep had beraamd, werd zijn loyaliteit weer eens op de proef gesteld. De coupplegers verzetten zich tegen het beleid van het kabinet-Beel inzake de onafhankelijkheid van Indonesië en de onderhandelingen met “landverrader” Soekarno. In het draaiboek stond onder meer de executie van Pvda-voorman Koos Vorrink. De soldaat van Oranje vroeg Van ’t Sant of hij Wilhelmina wilde informeren. “Ik aanvaard het gevolg van iedere beslissing welke U wenst te nemen,” schreef de werkbij aan zijn koningin. Was ze op de hoogte van de op handen zijnde staatsgreep? “Wordt mij door G. [Gerbrandy] of H. [Hazelhoff] gevraagd of ik U heb ingelicht, dan is mijn antwoord “neen”, tenzij U mij laat weten dat mijn antwoord moet zijn dat ik U over de zaak geschreven heb.” Wederom wierp Van ’t Sant zich in de baan van de kogel, zoals het een toegewijd lijfwacht betaamt.

Greet Hofmans

Thuis had hij andere kopzorgen. Zijn vrouw leed aan een ernstige vorm van hypertensie die haar die vroeg of laat fataal zou worden. Prins Bernhard vloog persoonlijk zijn gebedsgenezeres naar Londen over, Greet Hofmans. Hij had de diensten van de vrouw in de arm genomen voor de oogproblemen van prinses Marijke, ondanks de aanvankelijke scepsis van Juliana. Van ’t Sant groeide in de Greet-Hofmans affaire uit tot de mediator van de kibbelende Bernhard en Juliana. Hij sprong voor beide in de bres, maar ook voor Hofmans, toen die door het voormalig verzet geliquideerd dreigde te worden.

Van ’t Sant luchtte slechts één keer zijn hart, tijdens een interview met Loe de Jong op 2 oktober 1956 voor diens standaardwerk over het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. “Prima politieman-snuffelaar met een goed oppervlakkig oordeel over mensen, maar met weinig diepte-inzicht,” tekende De Jong in telegramstijl aan: “Eerzuchtig in de zin van dat hij op de achtergrond invloed wenst te hebben, juist niet op de voorgrond; bepaald van het leven houdend.” Het is een van de spaarzame passages in deze biografie dat we een inkijkje krijgen in de ziel van de dienstklopper. Zoals gezegd, Sytze van der Zee doet niet aan psychologische bespiegelingen. Daar staat veel journalistiek speurwerk tegenover. Zijn onderzoek naar de coupplannen in 1947 zijn zonder meer een aanvulling op de Gerbrandy-biografie van Cees Fasseur. „Nu blijkt dat Gerbrandy een nog groter heethoofd was dan we al wisten”, aldus Fasseur in een interview met het NRC. In de Greet-Hofmans affaire legt Van der Zee andere accenten dan Han van Bree heeft gedaan in zijn uitstekende studie De geest van het Oude Loo. Wie Van ’t Sant werkelijk was blijft een raadsel, ook na het lezen van Harer Majesteits loyaalste onderdaan. Des te wijzer zijn we over het reilen en zeilen van de BV Nederland. Spionage, rollebollende prinsgemalen, op handen zijnde staatsgrepen waarvan Hare Majesteit op de hoogte was – wie durft het woord “gezapig” nog in de mond te nemen.

Harer Majesteits loyaalste onderdaan. François van ’t Sant (1883-1966)
Sytze van der Zee
De Bezige Bij
ISBN 9789023496854
Verschenen in november 2015

Bestelinformatie

Bestel hier als hardcover bij bol.com (€ 29,90)
Bestel hier als ebook bij bol.com (€ 19,99)

Koop bij bol.com

DELEN
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here