Elvis zijn. Een biografie van Ray Connolly

“Ik ben het gewoon zo zat om Elvis Presley te zijn,” zei Elvis Presley een jaar voor zijn dood tegen zijn producent Felton Janis in de tuin van Graceland. Hij was er zo slecht aan toe dat zijn platenmaatschappij RCA voor een mobiele opnamestudio had gezorgd. Een rit naar het vertrouwde Nashville zat er niet meer in; zelfs een bezoek aan de American Sound Studio in Memphis, waar hij in 1969 het legendarische album From Elvis in Memphis had opgenomen, was te veel gevraagd. Wat het moordende tourschema betreft, deed zijn manager, Tom Parker, geen water bij de wijn. Er moest wel geld in het laatje worden gebracht, al was het maar om de pathologische goedgeefsheid van de King of de gokverslaving van de Kolonel te financieren. In 1976 trad Elvis 127 op, in meer dan tachtig steden in de Verenigde Staten, met als kers op de taart tien dagen lang het slopende middag- en avondconcert in het Hilton Hotel van Las Vegas. Benzedrine hield hem op de been. En Quaaludes, Demerol, Valium, Seconal, Percodan, Nembutal, Placidyl en Dilaudin. Onder andere.

Het geluk van Elvis

Ooit was het zelfs voor Elvis leuk om Elvis te zijn. Ray Connolly laat er in zijn biografie geen misverstand over bestaan naar wie zijn hart uitgaat: de jonge Elvis, die in 1954 als een komeet uit de sloppenwijken van Memphis, Tennessee omhoog schoot en alles wat hij als tiener aan muziek had geabsorbeerd in goud veranderde. Zijn ouders, Vernon en Gladys Presley, waren lid van de pinkstergemeente, waar hij de hymnes leerde kennen. Van huis uit kreeg hij de country mee. Vernon en Gladys hielden van Hank Williams, en al die andere artiesten van de Grand Ole Opry. Rassenwaan was hem in het toen nog gesegregeerde Zuiden volkomen vreemd. Hij hield van de gospels in de zwarte baptistenkerk op East Trigg Avenue in het zuidwesten van Memphis, de Rythm & Blues van het lokale AM-radiostation – lieden als Big Bill Broonzy en Big Boy Crudup. De laatste schreef een nummer dat That's All Right heette.

Dat hij het plaatje in de SUN-studio van Sam Phillips voor zijn jarige moeder opnam, is lariekoek. Hij wilde met zijn vertolking van My Happiness en That’s When Heartaches Begin wel degelijk indruk maken op Marion Keisker, de assistente van Phillips. Keisker zag talent. Zij nodigde hem uit voor een sessie met een band in de zomer van 1954, Scotty Moore op lead gitaar, Bill Black op bas. Phillips herinnerde zich de eerste ontmoeting met Elvis, hij “had dezelfde geïntimideerde uitdrukking van sommige van de blueszangers die voor de eerste keer bij Sun kwamen, die blik die zei dat mensen zoals zij op zo’n plek niets te zoeken hadden.” Iemand die niet geloofde dat succes hem toekwam. Phillips nam artiesten op die andere platenbazen niet wilde hebben – B.B. King, Ike Turner, Howlin’ Wolf. Elvis werd zijn grootste triomf. De A-kant: That’s All Right. De B-kant: Blue Moon of Kentucky.

Elvis in het leger, 1958

De kolonel en zijn pupil

Nog in hetzelfde jaar van zijn grote doorbraak leerde Elvis Tom Parker kennen, die eigenlijk Dries van Kuijk heette, in Breda geboren was en illegaal in de Verenigde Staten verbleef. Connolly laat er geen misverstand over bestaan dat Parker de doodgraver was van het ongekende talent van Elvis. Hij voorkwam dat Elvis een ‘Special Services-status’ kreeg tijdens zijn diensttijd, want zoals elke gezonde Amerikaanse jongen moest hij zijn plicht vervullen, zodat hij op het hoogtepunt van zijn carrière twee jaar lang geen platen kon maken. Parker stond aan de wieg van de tenenkrommende Hollywoodcarrière van Elvis, te beginnen met de smartlap Love Me Tender in 1956 en eindigend met Elvis als zingende sproeivliegpiloot (It Happened at the World’s Fair), zingende lifeguard (Fun in Acapulco), zingende autocoureur (Viva Las Vegas), zingende kermisexploitant (Roustabout) en zingende soldaat die meisje ontmoet in Duitsland en van zijn houten hart geen moordkuil maakt: “Muss i denn, muss i denn / Zum stadtele hinaus /Stadtele hinaus /Und du, mein schat, bleibst hier?” (GI Blues). Intussen maakte de wereld zich op voor vier jongens uit Liverpool die hun eigen materiaal schreven en beweerden dat liefde niet te koop was.

Parker kwam in 1973 ook op de onzalige gedachten voor een luttele 5 miljoen dollar de muziekrechten aan RCA te verkopen, waarmee hij eigenhandig de oudedagsvoorziening van Elvis om zeep hielp. Niet dat hij die nodig had, maar dit terzijde.

Elvis stond erbij en keek ernaar. Connolly weet de tragiek van die inertie in al zijn ontluistering bloot te leggen. De Engelse titel van zijn biografie luidt Being Elvis. Dat is bijna niet te vertalen. Elvis zijn? Toch is dat de kern van zijn verhaal: hoe een straatarme jongen uit Tupelo, Mississipi een wereldster wordt, doodsbenauwd is die status te verliezen, zijn ziel aan de eerste de beste koopman verpatst en het niet in zijn hoofd haalt met hem te breken, al heeft hij daar vanwege het mismanagement alle reden toe.

“Het schrikbeeld van de armoede in zijn kinderjaren, en de eeuwige verhuizingen van de ene naar de andere woning die zijn ouders zich hadden moeten laten welgevallen, waren nooit ver weg. Graceland was zijn thuis, zijn fort, en hij zou alles doen wat in zijn mogelijkheden lag – het verpanden van zijn talenten incluis – om het te behouden.”

Parker had hem groot gemaakt, Parker kon hem ook weer alles afnemen. Toen Elvis in 1975 zijn manager alsnog wilde ontslaan, dreigde die met een navordering van twee miljoen dollar. Vernon, die tot zijn dertiende naar school was gegaan, beheerde financieel het miljoenenimperium en slikte de schadevergoeding voor zoete koek. Twee miljoen dollar! Hij kreeg er een hartverzakking van. Elvis moest blijven, hoe dan ook. Vernon lag nog hetzelfde jaar naast zijn zoon in het Baptist Memorial Hospital in Memphis. Een mooie gelegenheid om hem toe te bijten: “Dit heb ik aan jou te danken. En je bent de nagel aan je moeders doodskist geweest.” Vernon wist dat hij Elvis daarmee in het diepst van zijn ziel krenkte. Maar met je vader breek je niet. Je vader en je moeder moet je eren, zo leren de tien geboden. Iedere journalist die in zijn kindertijd gedoken was, kreeg steevast hetzelfde verhaal te horen: hoe verlegen en beleefd Elvis altijd is geweest. “Zo gedroeg je je wanneer je arm was en je nergens op kon voorstaan,” aldus Connolly. Elvis. Een eenzaam leven is een hartverscheurend mooie biografie.

Elvis. Een eenzaam leven
Ray Connolly
Uitgeverij Thomas Rap
ISBN 9789400404748
Verschenen in juni 2016

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 24,99)
Bestel hier als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 14,99)

Koop bij bol.com

Bestel hier als paperback bij bol.com (€24,99)
Bestel hier als ebook bij bol.com (€ 14,99)

DELEN
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here