Edvard Munch, de hectische jacht op het leven

Edvard Munch bracht de winter van 1892 in Monte Carlo door. Hij was gokverslaafd en spendeerde uren in het casino. Aan de roulettetafel, een doek van 74 bij 116 centimeter, getuigt van zijn obsessie. Munch staat op de voorgrond, zijn rug naar de toeschouwer gekeerd, en noteert fanatisch de getallen die vallen. Op zoek naar een “systeem” in het rad van fortuin. “Ik heb de koorts compleet te pakken,” noteert hij in zijn dagboek: “Ik herken mezelf niet meer – terwijl ik vroeger altijd zo lang bleef liggen – slaap ik nu niet meer dan een paar uur per nacht – en voortdurend zie ik die smaragdgroene tafel voor me – met het goudgeld.” Het zijn de aantekeningen van een verslaafde. Enkele dagen later beschrijft hij de herinnering aan een zonsondergang: hij loopt met twee vrienden over de weg als plotsklaps de lucht bloedrood kleurt. “Mijn vrienden liepen door – ik stond daar te trillen van angst – en ik voelde iets als een grote, oneindige schreeuw door de natuur gaan.” Wanhoop, een doek uit 1892, is nog een vrij impressionistische voorstudie van het werk dat een jaar later zou volgen en dat de kunstgeschiedenis definitief zou veranderen. De schreeuw getuigt van de schitterende verschrikkelijkheid van het bestaan.

Wanhoop (1892) en De schreeuw (1893) van Edvard Munch
Wanhoop (1892) en De schreeuw (1893) van Edvard Munch

Een bestaan dat in het geval van Edvard Munch doordrenkt was van alcohol en achtervolgingswaanzin. Munch was een vat vol tegenstellingen. Hij was een gulhartige solitair en een misogyne erotomaan, een familiedier en een kluizenaar. “Liefde gepaard met contactvrees” constateert Atle Naess in Munch, een biografie.

Zijn verhouding met Mathilde Larsen, “Tulla”, is illustratief. Ze leren elkaar kennen in het voorjaar van 1898. Zij wordt door hem “gewekt”, er ontwikkelt zich een stormachtige relatie die Tulla, een middenstandsdochter uit de gegoede burgerij, vooralsnog verborgen wil houden voor haar familie. Dan volgt de verwijdering. In haar brieven dringt ze aan op een ontmoeting, maar Munch mijdt haar als de pest en laat haar weten ongeschikt te zijn voor een menselijke relatie. “Ik heb geprobeerd je mijn verhouding tot het leven tot de liefde uit te leggen en ernaar gestreefd je uit te leggen dat ik niet mee kon doen met die hectische jacht op het echte leven – Ik heb het over mijn kunst gehad, waarvoor ik moet leven – en ten slotte heb ik geprobeerd je omwille van jezelf tot voorzichtigheid te manen.” Hij verlangt naar een “zusterlijke liefde”, terwijl het haar alleen om de seks is te doen. Tegenover vrienden laat hij zich ontvallen dat ze voortdurend “beslapen” wil worden. Financieel is Munch van haar afhankelijk. Ten langen leste stelt hij dan maar voor te trouwen, om haar familie gerust te stellen, zolang zij maar alles regelt, ook nadat hij alle papieren is kwijtgeraakt. De “verloving” doet niets af aan zijn vluchtgedrag. Hij reist heel Europa door, van Parijs naar Milaan en weer naar Dresden, zo ver mogelijk weg van haar. De ziekelijke verhouding leidt in 1902 tot een zelfmoordpoging van Tulla. Op 11 september van datzelfde jaar ontaardt hun samenzijn in een schietincident, waarbij Munch verwond raakt aan zijn linkerhand, de hand van zijn palet. Schoot zij? Had hij zich van het leven willen beroven? Naess weet het niet, en laat het antwoord wijselijk in het midden.

De dood van Marat, 1907

De roodharige Tulla groeide in zijn oeuvre uit tot de vamp die hem van zijn krachten en werklust beroofde. Medusa, Charlotte Corday, Cleoptra – Munch sluit met zijn schilderijen moeiteloos aan op de misogyne ondertoon van het fin-de-siècle. Ook behoorde zij na de bruuske breuk voorgoed tot het kamp van de vijand, de club van kwelgeesten die Munch het leven moedwillig zuur maakte. Zijn alcoholisme en paranoia leidden in 1908 tot een acute psychose, kort nadat hij in Duitsland met zes overzichtstentoonstellingen definitief was doorgebroken (waaronder eentje bij de Berliner Secession). Hij zwoer de alcohol af, maar de wanen bleven.

Menselijk contact koste Munch gigantisch veel moeite. Toen in 1931 tante Karen stierf, die sinds de dood van zijn moeder in 1868 zich over het gezin had ontfermd, sloeg hij de begrafenis van een afstand gade, bang voor het gezelschap dat zich rond haar graf had geschaard. Die contactschuwheid neemt niet weg dat Munch talloze portretten heeft gemaakt, waarvoor in de loop van zijn leven honderddertig mensen model hebben gestaan. Tijdens het schilderen kletste hij honderduit, niets geen opperste concentratie. Van het model werd een behoorlijke bijdrage aan de conversatie verwacht – stilzitten zat er dus ook niet bij. Hij wilde in een rap tempo talloze gezichtsuitdrukkingen zien, om daarin het eigene te ontdekken.

Portretten. Hans Jaeger (1889) en Stanislaw Przybyszewski (1895)

De scheidslijn tussen portret en model is vaag. Vrienden doken op in zijn werk als de karakters van een psychologisch alfabet. Stansislaw Prysbyszewski, een vroege bewonderaar die al in 1894 een essay aan Munch heeft gewijd, staat model voor de jaloerse man, Tulla is de gevaarlijke, dominerende vrouw, Munch positioneert zichzelf als het gevoelige type, te sensitief voor een werkelijkheid die als een bloeddoorlopen hemel zijn zintuigen tergt. Naess documenteert nauwgezet de receptie van zijn werk, van de honende recensies in de conservatieve Noorse pers aan het begin van zijn loopbaan tot de gelukwensen van Joseph Goebbels bij de zeventigste verjaardag van Edvard Munch aan het einde daarvan. De nationaalsocialisten rekenden Munch, een van de grondleggers van het modernisme, niet tot de Entarterte Kunst. Goebbels bejubelde het “Noord-Germaanse” in de “diepe levensernst” van het Noorse wonderkind. Munch nam de bewondering voor kennisgeving aan. Hij stierf in het vierde oorlogsjaar, net 81.

Munch, een biografie van Atle Naess is een duizelingwekkend gedetailleerde biografie, die de wording van een kunstenaar tijdens het fin-de-siècle nauwgezet documenteert. Het belang van deze biografie is evident. Naess toont met verve aan dat het werk van Munch doortrokken is van diens persoonlijke levensgeschiedenis. Munch wist die tot “iets wezenlijks en algemeen menselijks” om te zetten. “Hij balanceert gevaarlijk op de rand van de persoonlijke anekdote. Maar dat persoonlijk doorleefde verleent zijn schilderijen een enorme lading en kracht.” Munch had zich geen betere biograaf kunnen wensen.

Munch, een biografie
Atle Naess
Uitgeverij Meulenhoff
ISBN 9789029090797
Verschenen in augustus 2015

Bestelinformatie

Bestel hier als paperback bij bol.com (€ 29,99)

Koop bij bol.com

DELEN
Eric Palmen
Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here