Bram Vermeulen. Liefdevol portret van Henk van Gelder

Bram Vermeulen
Bram Vermeulen in 1984 © Anefo Bron: Nationaal Archief

“Bram, wat er van ons duo restte / is ik en ik en dan misschien hij / maar ik zal nooit meer zeggen: ik ben de beste / want de beste waren wij,” declameerde Freek tijdens de afterparty na de laatste voorstelling van Neerlands hoop op 23 december 1979 in Haarlem. Eigenlijk zouden ze niet spreken. Er waren optredens van Liesbeth List en Thé Lau, Jaap Fischer zong een toepasselijk lied, maar de laureaten zelf hadden absoluut geen zin in een feestje. De laatste jaren zat er behoorlijk de klad in hun symbiose. Een nostalgische terugblik was ongepast. Daarbij zag Freek, als echtbreker, een nieuwe toekomst voor zich gloren. Vier maanden na de officiële scheiding overrompelde hij theater minnend Nederland met De komiek, zijn eerste solovoorstelling. Het was 1 april 1980, narrendag. Freek bleek heel goed zonder Bram te kunnen.

In Bram Vermeulen. Op leven en dood maakt Henk van Gelder duidelijk dat Bram meer moeite had met zijn herwonnen vrijheid. De breuk overrompelde hem.

Neerlands hoop

Bram Vermeulen, geboren op 13 oktober 1946 in de Vruchtenbuurt van Den Haag, was de jongste thuis, een kind van de bevrijding. “Japie en ik waren gewend stil te zijn en hadden ’s avonds nog geleefd in een huis met verplichte verduisterde ramen. Bram was veel vrijer. Lawaai mocht weer. Als hij de kamer binnenkwam, keek iedereen,” zo beschreef oudste broer Kees de verhoudingen. De ouders, Gerrit Vermeulen en Rudolfine Plasschaert, stimuleerden de branie. Bram ging naar de Eerste Montessorischool in de Laan van Poot. In het weitje, achter de school, werd gevoetbald. Vermeulen typeerde het milieu waarin hij opgroeide als “degelijk, burgerlijk en sociaal-democratisch”. In 1958 werd hem een overbruggingsjaar gegund, voor de middelbare school vond men hem nog niet rijp genoeg. Hij leerde dat jaar koken en piano spelen. Op het Haags Montessori Lyceum kwam daar een passie bij. Schoolgenoot Roel van Duijn, drie jaar ouder, organiseerde er tot groot genoegen van de progressieve directie ban-de-bom-acties, maar Bram Vermeulen hield zich niet ledig met politiek, hij was vooral met volleybal bezig. De gymleraar aan het lyceum, Kees van Zweeden, ontdekte in hem een natuurtalent. Drie jaar later maakte Vermeulen zijn debuut in het Nederlandse volleybalteam, als spelverdeler notabene. Vermeulen was bloedfanatiek. “Een topsporter is iemand die niet tegen zijn verlies kan.” Ook ontmoette hij in de gymzaal zijn eerste grote liefde, Titia Kiewiet de Jonge, die bij de dames speelde. In 1965 verhuisde Vermeulen naar Amsterdam, waar hij ging studeren. Tot verbazing van zijn linkse vrienden werd hij lid van het corps. In het vroege voorjaar van 1967 leerde hij er een harkerige domineeszoon kennen die tegen hem opkeek. Vermeulen was de jongen uit de stad, zelfverzekerd en met een grote bek. De domineeszoon verwachtte binnen vijf jaar in Carré te staan want hij waande zich de nieuwe Toon Hermans. Gerepeteerd werd er in het kamertje van Bram op het Damrak, later in de sociëteit van de Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging aan de Raamgracht. Bram en Freek waren onafscheidelijk. De eerste voorstellingen in het Lido en het Micro-Theater waren een deceptie, het camerettenfestival in Delft verloren zij van Don Quishocking. Peter van Bueren was in De Tijd wel gecharmeerd van “een wat excentrieke individualist” en Hemmo Drexhage van het NRC Handelsblad viel de nieuwe “theaterpersoonlijkheid” ook al op. Ze bedoelden Freek, Bram werd niet genoemd. Het duo heette inmiddels Neerlands hoop in bange dagen. Theaterdirecteur Peter Lohr, berucht vanwege zijn gebed aan het Beeld in het satirische VARA-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer, gunde hun het eerste grote optreden in de stadsschouwburg van Haarlem. Het werd een memorabele avond. Het publiek kreeg aan het begin van de voorstelling een papieren broodzakje uitgereikt, voor bij het slotnummer: “Ik kende bendes douairières / met een doodgewone bips / maar de gedverderrière van mijn tante / is nog krakender dan chips.” En dan mocht er dus lustig met dat zakje geritseld worden. Ageeth Scherphuis in de Volkskrant: “Dit is niet alleen ontzettend grappig, maar dit is ook nog eens nooit vertoond.” In een interview voor dezelfde krant opende het tweetal frontaal de aanval op de gevestigde orde in de kleinkunst, die je volgens Vermeulen het best kunt definiëren als “kunst die eigenlijk te klein is.” Wim Ibo, juryvoorzitter van het eerder verloren camerettenfestival, moest het ontgelden, maar ook de concullega’s kregen er van langs. Bram en Freek wensten niet tot dat establishment te horen, “want dan weet je zeker dat er nooit en te nimmer meer iets creatiefs uit je poten zal komen.” Neerlands hoop deed niet aan cabaret, maar maakte een “music and comedy-programma”, aldus Freek. Wim Kan vond de nieuwe ster aan het firmament een “drukdoenerige dikdoenige dilettant”, maar het progressieve deel van het vaderland viel als een blok voor de recalcitrante humor van Neerlands hoop. Anton Koolhaas prees in Vrij Nederland de “onthutsende vitaliteit” van De Jonge en had zowaar een vriendelijk woord over voor Bram en zijn “fantastisch goed uitgekiende muzikale achtergrond.” Een theatersensatie was geboren.

Verwijdering

Die muzikale achtergrond kreeg meer voeten in de aarde in hun derde programma, Neerlands Hoop Express. Bram was de koning te rijk met zijn bandje – Thé Lau speelde daarin leadgitaar, Jan de Hont bas en Harrie Heeren drums – maar Freek voelde zich een eenling in het gezelschap. De dood van zijn tweede kind in januari 1974 versterkte het isolement. Bram en Titia wisten zich na de begrafenis geen houding te geven in het bijzijn van hun rouwende vrienden. Hella de Jonge ontvluchtte de pijnlijke stiltes. “Het gedeelde jongensenthousiasme begon plaats te maken voor kleine ergernissen,” aldus Van Gelder. De musicalproductie van Een kannibaal als jij en ik in 1975, onder regie van Eddy Habbema, leidde tot nog meer wrijvingen. Freek werd door Habbema vriendelijk verzocht zich niet langer met de productie te bemoeien. Bram mocht wel blijven, vanwege de muziek. De ellenlange improvisaties van Freek tijdens Interieur, hun nieuwe programma dat ruim vierhonderd keer werd opgevoerd, moesten Bram op zijn plaats zetten. In 1978 werd er nog eendrachtelijk opgetrokken tegen de deelname van het Nederlandse voetbalelftal aan het wereldkampioenschap in Argentinië, waar op dat moment de militaire junta van Jorge Videla huishield, maar de bloedbroeders van weleer spraken nog nauwelijks met elkaar. Freek ergerde zich aan het promiscue gedrag van Bram, die zich de avances van de groupies rond Neerlands hoop maar al te graag liet welgevallen. Ze reden afzonderlijk naar de theaters waar ze moesten spelen en zagen elkaar pas kort voor de voorstelling. Op 11 september 1979 deelde De Jonge zijn compagnon mee dat hij zonder hem verder wilde.

Leven na Freek

De lopende afspraken werden bij de boedelscheiding onderling verdeeld. Freek kreeg Carré, Bram het Holland Festival. Vermeulen presenteerde er De Toekomst gaat het helemaal maken. De kritieken waren vrij meedogenloos. “Bram Vermeulen bewijst weer eens afdoende dat hij zonder Freek de Jonge gedeclasseerd wordt tot de slecht bij stemde zijnde podiumvulling die hij eigenlijk altijd is geweest.” Terwijl Freek op zijn eigen merites beoordeeld werd, was er bij Bram altijd de schaduw van een geamputeerde wederhelft, wat hij ook ondernam. “Geen enkele Nederlandse criticus haalde het nog in zijn hoofd om naar Neerlands Hoop te verwijzen als er over een nieuwe show van Freek moest worden geschreven. Maar als het over een nieuw programma van Bram ging, werd zijn verleden nog menigmaal genoemd,” concludeert Van Gelder. De vraag is eigenlijk waarom. De steen , Rode wijn en Testament – om er maar een paar te noemen – getuigen van een groot muzikaal talent en een diepe verwantschap met de blues. In Vlaanderen wist Vermeulen wel de zalen vol te krijgen, maar op het thuisfront zag men hem veelal als een rare snoeshaan, zeker toen hij in de jaren negentig steeds meer gefascineerd raakte door de spirituele kant van het bestaan. Via Shireen Stroker, zijn tweede grote liefde, maakte hij kennis met Ramtha’s School of Enlightenment. De RVU, waarvoor Vermeulen kleine programma’s produceerde, haakte af. Regisseur Peter Swart kon hem niet meer volgen.
Vermeulen ontpopte zich als een mentor voor opkomend talent – Paul de Munnik, Jochem Myer, de jongens van Niet uit het raam. Hij maakte er geen geheim van aan wie hij op het podium schatplichtig was. “Bram zei eens dat hij had mogen werken met de meest geniale man die er op het gebied van humor bestond. En dat hij daar zijn kennis van humor aan ontleende. Zo ging het in onze gesprekken elke dag wel even over Freek,” klapt Peter Heerschop uit de school.
Vermeulen had een groot hart, dat op 4 september 2004, tijdens een vakantie in Toscane, zomaar ophield met kloppen.

Bram Vermeulen. Op leven en dood is een liefdevol portret waarin Henk van Gelder ons meeneemt op een walk down memory lane. Van Gelder is geen diepgravend biograaf, wel eentje die zijn archief op orde heeft en in een meeslepende stijl de lezer herinnert aan het plezier dat Bram en Freek de natie gebracht heeft. Ik heb genoten van dit boek.

Bram. Bram Vermeulen. Op leven en dood
Henk van Gelder
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
ISBN 9789038899183
Verschenen oktober 2014

Bestelinformatie

Koop bij Athenaeum Boekhandel

Bestel hier als paperback bij Athenaeum Boekhandel (€ 19,99)
Bestel hier als ebook bij Athenaeum Boekhandel (€ 13,99)

Koop bij bol.com

Bestel hier als paperback bij bol.com (€ 19,99)
Bestel hier als E-book bij bol.com (€ 13,99)

DELEN
Eric Palmen

Eric Palmen is historicus en hoofdredacteur van Biografieportaal. Hij schreef onder andere Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam en Dwaze liefde, een familiegeschiedenis, uitgegeven bij Prometheus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here